Lid 1.
De persoon, aan wie een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget is verleend, is een bijdrage verschuldigd.
Lid 2.
De hoogte van de bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld overeenkomstig het van toepassing zijnde Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning, zoals jaarlijks aangepast door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en bedraagt nooit meer dan:
de kostprijs van de maatwerkvoorziening in natura;
de hoogte van het persoonsgebonden budget voor een maatwerkvoorziening;
Lid 3.
De termijn van de inning van bijdrage voor een maatwerkvoorziening is:
gelijk aan de verstrekkingsduur van een maatwerkvoorziening in natura, anders dan in eigendom;
gelijk aan de verstrekkingsduur van een periodiek persoonsgebonden budget;
gelijk aan de termijn die geldt tot de kostprijs van de voorziening is betaald, met een maximum van 91 perioden (zijnde 7 jaar vermenigvuldigd met 13 perioden per jaar). Deze termijn wordt in de toekenningsbeschikking van het persoonsgebonden budget voor een maatwerkvoorziening vermeld.
Lid 4.
De inning van de bijdrage voor een maatwerkvoorziening stopt te allen tijde bij het overlijden van belanghebbende of bij beëindiging van de maatwerkvoorziening.
Lid 5.
De persoon aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming is verleend, is geen bijdrage verschuldigd.
Hoofdstuk 3
Artikel 11.