Het college kan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, intrekken:
als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid;
als blijkt dat de vergunninghouder de nadere regels als bedoeld in artikel 3:2, derde lid, niet naleeft;
indien gedurende zesentwintig weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.
Hoofdstuk 3
Artikel 3:5
Intrekken van de omgevingsvergunning
Onderdeel van Monumentenverordening Den Haag 2019