Het college kan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, intrekken:

  • - als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid;
  • - als blijkt dat de vergunninghouder de nadere regels als bedoeld in artikel 3:2, derde lid, niet naleeft;
  • - indien gedurende zesentwintig weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
  • - voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.