Naar hoofdinhoud
1.. De voorzitter stelt een lid van de raad of een lid van het college, dat het woord voor een persoonlijk feit verlangt, in de gelegenheid een beknopte aanduiding van dat feit te geven. 2.. Een persoonlijk feit moet betrekking hebben op een bejegening van een lid tijdens de vergadering, welke door hem als kwetsend wordt ervaren. 3.. De bewering dat het gesprokene niet is begrepen, wordt niet als een persoonlijk feit aangemerkt. 4.. Een persoonlijk feit wordt in beginsel in ten hoogste twee spreektermijnen behandeld. 5.. Degene die het persoonlijk feit aangaat en niet als laatste in tweede termijn het woord heeft gevoerd, zal op zijn verzoek vóór het sluiten van de beraadslaging het woord worden gegeven.

Rechtspraak bij dit artikel