De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen, behoudens de uitzonderingsbepalingen (art. 2.3.5, zesde lid en art. 8.6a van de wet). Opgemerkt wordt dat de hier bedoelde uitzonderingen niet gelden als de ondersteuningsvraag betrekking heeft op: ondersteuning, dagactiviteiten of kortdurend verblijf. Dat wil zeggen dat het college bij de melding van ondersteuningsvraag altijd onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen.
Wijziging 1 januari 2020
Per 1 januari 2020 worden de Wlz-uitvoerders ook verantwoordelijk voor het individueel gebruik van mobiliteitsmiddelen (zoals aangepaste rolstoelen) van verzekerden die zonder behandeling in een instelling verblijven op grond van de Wlz (Stb. 2019, 438). Per die datum ontvangen alle verzekerden die in een instelling verblijven en een nieuw mobiliteitshulpmiddel nodig hebben, dat op grond van de Wlz. De uitzonderingsbepaling van artikel 8.6a onderdeel b van de wet is daarmee niet meer van toepassing. De Minister van VWS heeft wel afspraken gemaakt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Zorgverzekeraars Nederland dat gemeenten verantwoordelijk blijven voor onderhoud, aanpassing en reparatie van het vóór 1 januari 2020 verstrekte mobiliteitshulpmiddel tot aan het moment dat het hulpmiddel vervangen moet worden. De VNG heeft gemeenten over deze afspraken geïnformeerd in de ledenbrief van 2 oktober 2019.
Wijziging 1 januari 2021
Verder wordt nog opgemerkt dat het hebben van een psychiatrische grondslag alleen op dit moment geen toegang geeft tot de Wlz (art. 3.2.1 Wlz). Er is wel een wetswijziging aangekondigd die daar verandering in aanbrengt. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2021.
Maatschappelijke participatie en Wlz
Volgens de Centrale Raad van Beroep kunnen de Wmo 2015 en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking heeft op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan de Regiotaxi voor verzekerden die in een Wlz-instelling verblijven.
Beoordeling
Eerst beoordeelt het college of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet is voldaan. Dat wil zeggen: heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen. Is dat het geval, dan wordt beoordeeld of er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 8.6a van de wet. Is dat niet het geval, dan doet het college onderzoek (zie hierna).
Onderzoek (vraagverhelderingsgesprek)
De procedure van artikel 2.3.2 van de wet moet in zo’n situatie volledig worden doorlopen. Daaruit zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsvraag is en de noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015.
Toepassing kan-bepaling
Opgemerkt wordt dat de grondslag voor de beslissing op de aanvraag gebaseerd moeten worden op artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet en dus gebaseerd is op de kan-bepaling van dat lid. Dat wil ook zeggen dat het college niet hoeft te beoordelen of de betreffende maatvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven (art. 2.3.5, derde lid tweede volzin, van de wet). Het gaat er om of het college in redelijkheid tot het besluit (afwijzen of toekennen) heeft kunnen komen (CRVB:2018:3933 en CRVB:2019:3171).
Hoofdstuk 2
Artikel 2.15