Het college kan, op verzoek van degene op wie verhaald wordt, gedeeltelijk afzien van invordering voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbijdragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien:
redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en;
de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van invordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling als bedoeld in eerste lid, onderdeel b tot stand is gekomen.
Het college trekt het besluit tot het gedeeltelijk afzien van invordering in of wijzigt dit ten nadele van de belanghebbende indien:
niet binnen twaalf maanden nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de in lid 1 genoemde voorwaarden;
de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet, of
onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
Hoofdstuk 3 - Verhaal
Artikel 20 - Verhaal en schuldregeling