Naar hoofdinhoud
1.. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 2.. Het aantal kubieke meters afgevoerd water genoemd in het eerste lid van dit artikel, wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de loop van het belastingtijdvak naar het perceel is toegevoerd en/of opgepompt. 3.. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet de pompinstallatie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 4.. De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd, indien en voor zover wordt aangetoond door de gebruiker dat de laatste bedoelde hoeveelheid minimaal 20% bedraagt van de eerstbedoelde hoeveelheid water. 5.. Voor zover de gegevens, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet bekend zijn, wordt het waterverbruik door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld naar rato van het waterverbruik bij vergelijkbare roerende of onroerende zaken. 6.. Ten aanzien van de percelen, die bij Brabant Water aldaar geregistreerd staan als ‘agrarische percelen’ en waarvan voor aanvang van het kalenderjaar schriftelijk kenbaar is gemaakt dat geen bedrijfsafvalwater wordt afgevoerd middels de gemeentelijke riolering, wordt bepaald dat bij de heffing wordt uitgegaan van een forfaitaire hoeveelheid geloosd water per tijdvak. De hoogte van het forfait wordt berekend door het aantal personen van de gezinshuishouding op 1 januari van het kalenderjaar te vermenigvuldigen met 50 kubieke meter water.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel