Het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand, in een aantal situaties kan van deze hoofdregel worden afgeweken, te weten:
indien de aanvrager verwikkeld is in een echtscheidingsprocedure of indien er sprake is van een verlating, en hij/zij slechts kan beschikken over een vermogen dat minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens;
indien de aanvrager eigenaar is van onroerend goed dat nog te gelde gemaakt moet worden;
indien aanvrager aanspraak heeft op een vermogensmiddel maar daarover in redelijkheid nog niet kan beschikken (bijv. onverdeelde nalatenschap).
Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wordt belanghebbende verplicht om zo spoedig zijn of haar rechten ten gelde te maken. Zodra dit is gerealiseerd wordt het vermogen vastgesteld.
Bij het vaststellen van het vermogen wordt op de lopende rekening eenmalig de maandnorm exclusief vakantiegeld in mindering gebracht maar nooit meer dan het positief saldo op lopende rekening.
De vrijlating bedoeld in het tweede lid van dit artikel geldt niet voor spaarrekeningen en overige middelen.
Een verzekering voor eigen begrafenis of crematie acht het college algemeen gebruikelijk. Voor zover de waarde hiervan de Nibud norm niet overschrijdt wordt de waarde van de verzekering niet meegeteld als vermogen.
Hoofdstuk 3: › Paragraaf 3.1:
Artikel 17:
vermogensvaststelling
Onderdeel van Beleidsregel Participatiewet/IOAW/IOAZ Midden-Groningen 2020