Als een belanghebbende eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning, woonwagen of woonboot, kan er sprake zijn van vermogen boven de in de Participatiewet toegestane vermogensgrens. In dat geval wordt bijstand verleend in de vorm van een geldlening onder verband van (krediet)hypotheek/pand. Dit kan slechts als redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat de woning / woonboot/ woonwagen te gelde wordt gemaakt of (verder) wordt bezwaard met een geldlening onder verband van hypotheek/pand van bijvoorbeeld een commerciële bank. Voor zelfstandigen geldt een afwijkende regeling. Dit artikel geldt niet voor IOAW en IOAZ.
Als duidelijk wordt dat (krediet)hypotheek/pand aan de orde is moet belanghebbenden een bereidverklaring tekenen. Hierin verklaren belanghebbenden mee te werken aan de eventuele vestiging van hypotheek/pand en dat de woning / woonboot / woonwagen niet verder zal worden bezwaard of vervreemd. Weigert de belanghebbende de bereidverklaring te tekenen wordt er geen bijstand verleend. De bijstand wordt dan afgewezen wegens voldoende middelen in de vorm van vermogen.
Binnen 8 weken na de aanvraag moet duidelijk zijn of er krediethypotheek gevestigd moet worden. In de beschikking wordt aangegeven hoe het bedrag is berekend. Verder wordt belanghebbende verplicht mee te werken aan het vestigen van hypotheek/pand. Weigert belanghebbende de hypotheek/pand akte te tekenen, wordt de bijstand beëindigd en volgt een terugvordering van de als geldlening verleende bijstand.
Is er vermogen in een andere vorm dan in de woning / woonboot/woonwagen dat hoger is dan de algemene vrijlating, moet eerst op dit vermogen worden ingeteerd. Is er geen ander over vermogen aanwezig, dan is krediethypotheek/pand aan de orde. Uitgangspunt is de waarde van de woning (met bijbehorende erf)/woonboot/woonwagen in het economisch verkeer bij vrije oplevering. Als er een taxatie is in verband met de Onroerend Zaakbelasting (OZB) wordt hierop aangesloten. Op de waarde van de woning wordt in mindering gebracht de op de woning drukkende schulden. Vervolgens wordt hierop de vrijlating als bedoeld in artikel 34 lid 2 sub d van de PW € 51.600 (norm 1 juli 2019) gegeven.
Als de te verlenen krediethypotheek/pand op jaarbasis lager is dan het netto minimumloon op maandbasis, wordt geen (krediet)hypotheek/pand gevestigd. Is de bijstand lager dan wordt de uitkering verstrekt als geldlening. Het kan zich voordoen dat het berekende bedrag iets boven het minimumbedrag uitkomt. Ook dan zijn de kosten van vestiging van het krediethypotheek relatief hoog. Als er voldoende spaargeld is of andere liquide middelen zijn, wordt belanghebbende de keuze gegeven om, voor het bedrag van te vestigen krediethypotheek/pand, eerst in te teren op het spaargeld. In dit geval is de intering regel 1 x de bijstandsnorm en niet 1½ x de bijstandsnorm. Hiermee wordt bereikt dat belanghebbende na de intering zonder krediethypotheek/pand bijstand kan worden verleend.
Voor de kosten van vestiging krediethypotheek/pand kan bijzondere bijstand “á fonds perdu” verleend worden.
Nadat de bijstand is beëindigd moet de lening gedurende 10 jaar terugbetaald worden. De aflossing wordt jaarlijks door het college vastgesteld en moet maandelijks worden betaald. Na deze 10 jaar wordt de lening rentedragend. De rente moet maandelijks worden voldaan. De hoogte van de rente is de wettelijke rente minus 2% (maar de te betalen rente is nooit lager dan 0%) vanaf het moment waarop niet meer afgelost hoeft te worden. Dit is dus in de regel 10 jaar nadat de bijstand is beëindigd. Bij verwijtbaar niet nakomen van de verplichtingen wordt naast de genoemde rente de wettelijke interest in rekening gebracht.
Als gedurende genoemde 10 jaar niets terugbetaald kan ontheft het college belanghebbende(n) van de betaalverplichting voor telkens een periode van maximaal 12 aaneensluitende maanden. De aflossingsvrije voet is 115% van het voor belanghebbenden geldende bijstandsnorm. Van het meerdere boven de aflossingsvrije voet moet 50% aangewend worden ter aflossing van deze geldlening. Als de aflossing volgens deze berekening lager is dan € 45 per maand, wordt tijdelijk gedurende maximaal één jaar ontheffing verleend. Krediethypotheken aangegaan voor 1 januari 2004 moeten volgens contractuele verplichtingen afgelost worden (behoudens hetgeen geldt ingevolge het overgangsrecht WWB).
Indien de woning / woonboot/ woonwagen wordt verkocht of door vererving overgaat op anderen, wordt (het restant van) de schuld terstond en in het geheel voldaan.
Jaarlijks wordt aan de belanghebbende een overzicht verstrekt van de stand van zaken. Ook wordt dit overzicht verstrekt bij de beëindiging van de bijstand.
Bij verkoop van de woning wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard, of wegens werkaanvaarding elders, kan het college besluiten tot het verlenen van een geldlening onder verband van krediethypotheek ten behoeve van de nieuwe woning tot het bedrag van de afgeloste geldlening, onder voorwaarde dat dit en het vrijgelaten vermogen (inclusief de algemene vrijlating van vermogen) ingezet wordt voor de aankoop van de nieuwe woning.
Als binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandsverlening onder verband van hypotheek/pand opnieuw recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatste gevestigde hypotheek.
Hoofdstuk 3: › Paragraaf 3.1:
Artikel 24:
krediethypotheek
Onderdeel van Beleidsregel Participatiewet/IOAW/IOAZ Midden-Groningen 2020