Naar hoofdinhoud
1.. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken als het college vaststelt dat: gedurende een periode van meer dan zes maanden geen gebruik is gemaakt van de verstrekte voorziening, de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen, de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten, de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb voor een ander doel gebruikt. 2.. Een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat het budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 3.. Indien het college het recht op een voorziening heeft ingetrokken op grond van artikel 2.3.10 lid 1 aanhef en onder a van de wet en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget. 4.. Bij wangedrag bij het ontvangen van diensten dan wel onzorgvuldige omgang met verstrekte voorzieningen, kan het college al dan niet tijdelijke maatregelen ten aanzien van de cliënt treffen ter bescherming van de medewerker van een aanbieder dan wel voorkomen van (verdere) schade. 5.. Het college is bevoegd om hierover nadere regels te stellen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel