Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 4.3

Weigeringsgronden maatwerkvoorziening

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020

1.. Een gevraagde voorziening wordt niet toegekend of een gevraagde voorziening wordt afgewezen: indien de cliënt niet aan het bepaalde in artikel 4.1 leden 1 tot en met 4 voldoet; indien cliënt geen ingezetene is conform artikel 2.3.5 eerste lid sub a van de wet en de begripsbepaling “ingezetene” van artikel 1.1 van deze verordening, met uitzondering van beschermd wonen en opvang ingevolge artikel 2.3.5 eerste lid sub b van de wet; voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen of psychische of psychosociale problemen waarvoor de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd; Voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de persoon met beperkingen of problemen voorafgaand aan het moment van beschikken op de aanvraag heeft gemaakt, tenzij het college vooraf uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven, of als er sprake was van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen. indien een gevraagde maatwerkvoorziening reeds eerder krachtens deze, of een eerdere Verordening maatschappelijke ondersteuning is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de cliënt of zijn of haar huisgenoten niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of artikel 2.4 van deze verordening; indien: de noodzaak tot ondersteuning ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was; en van de cliënt redelijkerwijs verwacht had mogen worden dat hij maatregelen zou hebben getroffen die de gevraagde maatwerkvoorziening overbodig had gemaakt nu de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning hierbij redelijkerwijs voorzienbaar was voor de cliënt; voor zover de cliënt redelijkerwijs een beroep kan doen op een voorliggende voorziening of de kosten van de maatwerkvoorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt ingevolge de voorliggende voorziening; indien de gevraagde voorziening voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; als deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht. 2.. Het college kan bij nadere regels aanvullende criteria vaststellen in verband met de weigeringsgronden voor een specifieke maatwerkvoorziening dan wel een specifieke tegemoetkoming in de meerkosten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel