Naar hoofdinhoud
1.. Bij het vaststellen van de draagkracht zijn de bepalingen van hoofdstuk 3, paragraaf 4 van de wet van overeenkomstige toepassing. 2.. In aanvulling op het eerste lid worden voor het vaststellen van de draagkracht alle inkomsten van en ten behoeve van ten laste komende kinderen als bedoeld in artikel 31, lid 2, sub h van de wet vrijgelaten. 3.. In afwijking van het eerste lid wordt voor het vaststellen van de draagkracht niet de vrijlating van de in de vorm van een periodieke uitkering ontvangen particuliere oudedagsvoorziening als bedoeld in artikel 33, lid 5 van de wet toegepast. 4.. In afwijking van het eerste lid geldt bij een aanvraag van bijzondere bijstand voor huishoudelijke hulp tot en met 3 uren per week dat het mogelijke vermogen in de woning buiten beschouwing wordt gelaten. 5.. De eventuele Individuele Inkomenstoeslag en de Individuele Studietoeslag als bedoeld in artikel 36 en 36b van de wet worden voor het vaststellen van de draagkracht vrijgelaten. 6.. Vervoermiddelen met een gezamenlijke waarde tot € 5000 worden voor het vaststellen van de draagkracht vrijgelaten. 7.. De volgende componenten worden op de berekende draagkracht in mindering gebracht, tenzij voor deze kosten bijzondere bijstand is verstrekt. De door betrokkene te betalen eigen bijdragen in het kader van zorg; De voor rekening van betrokkene komende Kinderopvang op sociale of medische indicatie; De voor rekening van betrokkene overblijvende woonlasten die het gevolg zijn van zorgbehoevendheid; De door betrokkene te betalen alimentatie voor niet in het gezin levende kinderen of de (ex) echtgenoot; De voor rekening van betrokkene blijvende studiekosten van de kinderen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel