Naar hoofdinhoud

Artikel 7.

Regels voor pgb

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Westerwolde 2020

1.. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2.. De hoogte van een pgb: wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet: welke maatwerkvoorziening de cliënt van het budget wil betrekken, en indien van toepassing, welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; 3.. Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen formele ondersteuning en informele ondersteuning. 4.. Het persoonsgebonden budget voor personen, als bedoeld in artikel artikel 1, lid 1, onder g, sub 1, minimaal 80% van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend. 5.. Het persoonsgebonden budget voor personen, als bedoeld in artikel 1, lid1, onder g, sub 2, bedraagt maximaal 80% van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend. 6.. Het persoonsgebonden budget voor personen artikel 1, lid 1, onder d van deze verordening gebaseerd op het wettelijk minimumloon opgehoogd met een bedrag voor extra kosten zoals bijvoorbeeld vervanging tijdens vakantie, indexatie. 7.. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een zaak wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf en het onderhoud daarvan. 8.. Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget als bedoeld in het vorige lid vaststellen op basis van een offerte. 9.. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor wat betreft het vervoer is gebaseerd op de autokosten volgens Nibud waarbij het uitgangspunt geldt dat 2.000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. 10.. Een cliënt aan wie een persoongebonden budget wordt verstrekt mag het persoonsgebonden budget niet besteden aan tussenpersonen of belangenbehartigers. 11.. Een persoonsgebonden budget dient door cliënt binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt. 12.. Het college kan nadere regels stellen over het persoonsgebonden budget.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel