Naar hoofdinhoud
1.. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een door het college noodzakelijk te achten vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2.. Indien de leerling als bedoeld in het vorige lid voor de duur van maximaal zes weken buiten de gemeente verblijft vanwege een crisisplaatsing, behandeling met verblijf in een jeugdhulpinstelling of tijdelijke opvanglocatie in verband met een crisissituatie én het voor het welzijn van de leerling noodzakelijk is dat hij de school waar hij staat ingeschreven blijft bezoeken, kan het college een vervoersvoorziening toekennen voor de periode dat de leerling buiten de gemeente verblijft met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 3.. Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. 4.. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 5.. Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de leerling. 6.. Het college kent een vervoersvoorziening toe aan een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 7.. Indien de jeugdige zestien jaar of ouder is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de jeugdige.

Rechtspraak bij dit artikel