**1..** In deze Verordening wordt verstaan onder:
eigenaar: de eigenaar in de zin van artikel 1, de erfpachter ingevolge hoofdstuk 7 en de appartementseigenaar ingevolge titel 9 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;
flat- of portiekwoning: woonruimte gelegen in een woongebouw waarbij de toegang vanaf de openbare weg gedeeld wordt met andere in dat woongebouw gelegen woonruimten;
gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
huishouden: een alleenstaande dan wel twee of meer personen, die naar het oordeel van burgemeester en wethouders, hebben aangetoond een duurzame gemeenschappelijke huishouding te voeren;
kamergewijze bewoning: het bewonen van onzelfstandige woonruimte;
kadastraal splitsen: het splitsen van woonruimte als bedoeld in artikel 22 lid 1 van de wet en het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten als bedoeld in artikel 22 lid 2 van de wet;
kantoor aan huis: het gebruik van een ondergeschikt deel van woonruimte als kantoor door de in de woonruimte woonachtige eigenaar;
onttrekken: het onttrekken van woonruimte als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de wet;
omzetten van woonruimte: het omzetten van woonruimte als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder c, van de wet;
onzelfstandige woonruimte: bewoonde of kennelijk voor bewoning geschikte of bedoelde ruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;
praktijkruimte aan huis: het gebruik van een ondergeschikt deel van woonruimte als praktijkruimte door de in de woonruimte woonachtige eigenaar;
verordening: de Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2020
wet: de Huisvestingswet 2014;
woningvorming: het verbouwen van een woonruimte tot twee of meer woonruimten zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder d, van de wet;
Woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden
WOZ - waarde: de voor het kalenderjaar 2018 geldende, op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde, waarde.
**2..** Van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, is sprake, indien:
de bewoners van plan zijn om langdurig samen te blijven wonen (duurzaamheid); en
er sprake is van wederzijdse zorg tussen de bewoners; en
het huishouden niet in een periode van één jaar van samenstelling veranderd is, tenzij de veranderingen naar algemene maatstaven binnen een duurzaam gemeenschappelijk huishouden passen; en
de gemeenschappelijke ruimten door de bewoners worden gedeeld; en
er een gezamenlijk huurcontract is, waarin de namen van alle bewoners vermeld staan; en
de bewoners zelf het initiatief tot samenwoning hebben genomen; en
er een huisvestingsvergunning aanwezig is, indien vereist.
**3..** Met een duurzaam gemeenschappelijk huishouden als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, en het vorige lid wordt gelijkgesteld: een groep van ten hoogste drie vergunninghouders als bedoeld in artikel 1 lid 1, onder g, van de wet die geen gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren, maar gelet op de in artikel 28 van de wet genoemde taakstelling door burgemeester en wethouders gehuisvest worden of zijn in één woning.
Artikel 1