Naar hoofdinhoud
Het (nog) niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en op grond daarvan noodzakelijkerwijs aangewezen zijn op een beschermende woonomgeving wordt beoordeeld op basis van een aantal risico’s. Deze risico’s hebben betrekking op: verwaarlozing, en/of (dreigende) maatschappelijke overlast, en/of gevaar voor de cliënt zelf of anderen. Met behulp van de ZRM worden de risico’s in kaart gebracht. Het nader in kaart brengen van de genoemde risico’s is niet perse gebonden aan één bepaald leefgebied van de ZRM. Uit onderzoek moet inzichtelijk worden of de cliënt: over het vermogen beschikt om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag of psychisch functioneren; en/of vaardigheden of remmingen mist om zich te kunnen handhaven in de samenleving; en/of in staat is op relevante momenten hulp in te roepen (adequaat kunnen alarmeren); en/of inzicht heeft in de risico’s voor de cliënt zelf en/of anderen die het niet (tijdig) alarmeren met zich meebrengt of kan brengen. Beschikt de cliënt over het vermogen om de risico’s te voorkomen, dan ligt het niet voor de hand dat hij is aangewezen op beschermd wonen, omdat de cliënt zich kan handhaven in de samenleving, maar zal mogelijk wel beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie hebben. In dat geval kan een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de wet mogelijk zijn aangewezen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel