Wettekst
Artikel 4, eerste lid, onderdeel b, bijlage II Besluit Omgevingsrecht
Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 20, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
de oppervlakte niet meer dan 150 m2;
Beleidsregel
Artikel 4.1 t/m 4.3 is niet van toepassing op vakantiewoningen.
4.1 Afwijking bijbehorend bouwwerk bij woningen
Het bijbehorend bouwwerk minimaal 1 meter achter, het verlengde van, de voorgevelrooilijn wordt gebouwd;
De bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk maximaal 5 meter bedraagt;
De gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 120 m2 bedragen, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 50% bedraagt;
De afstand van het bijbehorende bouwwerk tot aan het openbaar toegankelijk gebied minimaal 1 meter bedraagt;
Bij vrijstaande woningen minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd;
Bij half vrijstaande woningen met een kavelbreedte groter dan 12 meter aan één zijde de afstand tussen een bijbehorend bouwwerk en de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 meter bedraagt;
Bij half vrijstaande woningen met een kavelbreedte kleiner dan 12 meter bijbehorende bouwwerken in de perceelsgrens mogen worden gebouwd
In afwijking van het bepaalde onder 1 en 4 mogen bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel c.q. het verlengde daarvan gebouwd worden, mits:
de aan de straatzijde aanwezige voorgevelrooilijn niet wordt overschreden en
als het een garage betreft de afstand van tenminste 5 meter tot de perceelsgrens aan
de zijde van het openbaar toegankelijk gebied in acht wordt genomen (gezien vanuit de toegang van de garage).
In afwijking van het bepaalde onder 5 kan een afwijking van het bestemmingsplan worden toegestaan, wanneer sprake is van herbouw van een bestaand bijbehorend bouwwerk.
4.2 Afwijking voor carports en overkappingen
In afwijking van het bepaalde in artikel 4.1 lid 1, mag een carport/ overkapping:
maximaal 3,30 meter hoog zijn;
op het achtererfgebied buiten het bebouwingsvlak een maximale oppervlakte van 30 rn2 hebben, mits het erf in totaal niet voor meer dan 50% wordt bebouwd.
indien aan de zijkant van het bouwwerk geplaatst, mag de overkapping de voorgevel van de woning c.q. het verlengde daarvan overschrijden, mits:
de overschrijding maximaal 2 meter bedraagt en
de afstand tot de openbare weg minimaal 5 meter bedraagt (gezien vanuit de toegang tot de carport)
4.3 Uitbreiding bij andere gebouwen dan woningen
Voor uitbreidingen bij andere gebouwen dan woningen geldt dat een afwijking van het bestemmingsplan alleen mogelijk mits de noodzaak is aangetoond en de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd. Daarbij geldt dat het bebouwingsoppervlak op het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende perceel op niet meer dan 75% van de oppervlakte van dit gebied mag uitkomen.
4.4 Afwijking voor een schuilgelegenheid
Op gronden met een agrarische bestemming kan van het bestemmingsplan worden afgeweken voor het oprichten van een schuilgelegenheid als bedoeld in artikel 1, onder voorwaarde dat:
de schuilgelegenheid als een bijbehorend bouwwerk kan worden beschouwd bij een op hetzelfde perceel gelegen woongebouw;
gelet op het bepaalde onder a op het betreffende perceel geen agrarisch bouwvlak is gelegen en de beweiding geen onderdeel uitmaakt van een volwaardig agrarisch bedrijf;
de schuilgelegenheid een maximale bouwhoogte heeft van 4,50 meter en een maximale goothoogte van 3 meter;
de schuilgelegenheid een maximale oppervlakte heeft van 12 m2;
per perceel maximaal 1 schuilgelegenheid wordt opgericht;
de landschappelijke inpassing van de schuilgelegenheid is verzekerd door een bij het landschap passende materiaal- en kleurkeuze;
het materiaal van hout of ander natuurlijk materiaal dient te zijn en voldoet aan redelijke eisen van welstand;
de schuilgelegenheid in beginsel wordt opgericht aan de rand van een perceel. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, wanneer op het perceel één of meerdere (landschappelijke) elementen (bosschagers, houtwallen/-singels, begroeiingen of erfafscheidingen) aanwezig zijn die, gelet op hun aard en omvang, zorgen voor een betere beeldkwaliteit wanneer de schuilgelegenheid ter plekke wordt geplaatst;
het gebruik van het bouwwerk gericht is op een schuilgelegenheid e niet als stat c.q. schuur. Er mag geen opslag van stro, voer of andere materialen plaatsvinden;
ter bescherming en behoud van kenmerkende gebiedseigen natuurwaarden en landschappelijke kernkwaliteiten in beginsel geen schuilgelegenheid wordt toegestaan in de Ecologische Hoofdstructuur/Goudgroene Natuurzone. Op een dergelijke manier blijft de kwaliteit van het landschap en de openheid van het landelijke gebied zo veel mogelijk behouden. Indien het (maatschappelijk) belang van een schuilgelegenheid passend bij het karakter en de doelstelling van het gebied kan worden aangetoond, kan er middels de 'neetenzij-methode' toch een schuilgelegenheid worden toegestaan. Hiervoor geldt dan wel dat de verloren gaande waarden dienen te worden gecompenseerd.
4.5 Afwijking voor het aanbrengen van een tweede bouwlaag bij een hoofdgebouw
Artikel 3.1. is niet van toepassing op het aanbrengen van een tweede bouwlaag bovenop de eerste bouwlaag bij een hoofdgebouw.
Een afwijking voor het aanbrengen van een tweede bouwlaag bij een hoofdgebouw bovenop de eerste bouwlaag kan worden verleend, mits:
sprake is van een uitbreiding van het hoofdgebouw middels een aan-, uit of opbouw;
maximaal één bouwlaag wordt toegevoegd;
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken maximaal 120 m2 bedraagt;
de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk de bouwhoogte van het bestaande hoofdgebouw (uitgezonder ondergeschikte bouwonderdelen) niet overschrijdt;
het stedenbouwkundig beeld, gehoord de dorpsbouwmeester, niet onevenredig wordt aangetast;
Hoofdstuk 3:
Artikel 4: