Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 11

Artikel 11.6

Inwerkingtreding en citeertitel

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2020

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2020 (Verordening MO Tilburg 2020). Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 25 november 2019. de griffier, voorzitter, Toelichting op de verordening Artikelsgewijze toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2020. Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In de Wmo en het daarop gebaseerde Besluit is een groot aantal definities opgenomen. Voor de leesbaarheid is een selectie hiervan opgenomen in de begripsbepalingen van de verordening. Niet iedere bepaling behoeft toelichting. a. Algemeen gebruikelijke voorziening Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt richt zich op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op grond van de Wmo 2007, de volgende criteria een rol spelen: - Is de voorziening gewoon te koop? - Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? - Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? - Is de voorziening voor de persoon als de aanvrager ook algemeen gebruikelijk? e. Bijdrage in de kosten Bijdrage in de kosten van een algemene of maatwerkvoorziening (m.u.v. onafhankelijke cliëntondersteuning). Voorheen werd dit eigen bijdrage of eigen aandeel genoemd. In hoofdstuk 5 wordt dit nader uitgewerkt. f. Budgetplan In het budgetplan beschrijft de cliënt, samen met de beoogd zorgverlener, hoe zij het persoonsgebonden budget wilt besteden. De basis voor dit plan is het gesprek dat de cliënt heeft gehad met de Toegangsprofessional en het Plan van Aanpak dat is opgesteld. In het Plan van aanpak staat ook beschreven wat de cliënt met deze ondersteuning concreet moet bereiken. Het ingevulde budgetplan wordt beoordeeld door de Toegangsprofessional. g. College College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg h. Gebruikelijke hulp Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. i. Gesprek Het gesprek is het mondeling contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang. m. Melding Iedereen kan zich melden met een hulpvraag. Door het melden maakt men de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien de ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid van de wet, in te stellen. q. Persoonlijk plan In het plan kan de cliënt, al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk, de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst beschrijven. Artikel 1.2 Doelgroep Deze verordening kent twee doelgroepen. Allereerst cliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie. Om hiervoor in aanmerking te komen dient de cliënt ingezetene te zijn van de gemeente Tilburg. We gaan hierbij uit van de inschrijving in de Basis registratie personen (Brp). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen in aanmerking te komen moet de men in ieder geval ingezetene zijn van Nederland, maar niet per se van de gemeente Tilburg. Mantelzorgers kunnen voor vormen van ondersteuning in aanmerking komen, indien degene voor wie zij mantelzorger zijn ingezetene is van de gemeente Tilburg. Hoofdstuk 2 Toegang Artikel 2.1 Melding en vooronderzoek In dit artikel is opgenomen dat een hulpvraag schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college kan worden gedaan. Dit kan zowel op het gemeentelijk LoketZ als bij één van de partners van de gemeente die gezamenlijk de Tilburgse Toegang vormen. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden. In lid 2 is opgenomen dat het college de ontvangst van de melding registreert (tijdstip van melding) en schriftelijk bevestigt. Tevens wordt de cliënt geïnformeerd over de vervolgprocedure en diens rechten en plichten (zoals het maken van een afspraak voor het gesprek, de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. De cliënt mag zich tijdens het onderzoek laten bij bijstaan door iemand uit zijn eigen netwerk of een cliëntondersteuner. Het gebruik van een cliëntondersteuner is altijd gratis. In lid 3 is opgenomen dat in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3. van de wet het college na ontvangst van de melding een tijdelijke maatwerkvoorziening treft in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Met onverwijld bedoelen wij binnen maximaal 3 werkdagen. In lid 5 is opgenomen dat het college alle gegevens verzamelt die door het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet, toegankelijk en van belang zijn over de cliënt en zijn situatie. Er wordt zo spoedig mogelijk een afspraak gemaakt voor een gesprek. Lid 6 bepaalt dat de cliënt voor het gesprek alle overige gegevens en bescheiden die naar oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen aan het college moet overhandigen. In ieder geval verstrekt de cliënt een identificatiedocument zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. In lid 7 is opgenomen dat de cliënt de mogelijkheid heeft een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de wet op stellen. In dit plan kan de cliënt aangeven op welke wijze hij vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Dit draagt bij aan de mate van eigen regie door de cliënt. Indien de cliënt zo'n persoonlijk plan wil indienen dient hij dit uiterlijk 7 dagen na de melding te overhandigen aan het college. Artikel 2.2 Gesprek In dit artikel is opgenomen dat het college in een gesprek onderzoek doet. Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 vierde lid de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat het past in het stelsel van deze Wmo dat daar de omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Het gesprek wordt gevoerd namens het college door professionals. Het uitgangspunt hierbij is dat het (eerste) gesprek bij de cliënt thuis zal plaatsvinden. Op verzoek van de cliënt kan het gesprek ook op een andere locatie plaatsvinden. In lid 3 is opgenomen dat indien de cliënt een persoonlijk plan heeft overhandigd dit wordt betrokken bij het onderzoek. In lid 4 is bepaald dat het college de cliënt informeert over de gang van zaken tijdens het gesprek, dienst rechten en plichten, uitleg geeft over de vervolgprocedure en hem vraagt om toestemming te geven voor het verwerken van zijn persoonsgegevens. Lid 5 bepaalt dat voor het inwinnen van informatie bij derden (bijvoorbeeld hulp- of zorgverleners) een toestemmingsverklaring wordt ondertekend. Lid 6 bepaalt dat indien de cliënt genoegzaam bekend is het college met de cliënt kan besluiten af te zien van het onderzoek zoals bedoeld in de wet. De cliënt kan dan middels een aanvraagformulier een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening. Artikel 2.3 Verslag van het onderzoek Het college draagt zorg voor een schriftelijke verslaglegging van het onderzoek en verstrekt dit binnen 10 werkdagen aan de cliënt. De weergave van het onderzoek bevat tevens een verslag van het gesprek. Dit is een beknopte weergave zijn van hetgeen besproken is. In lid 3 is opgenomen dat de cliënt het verslag tekent voor gezien of akkoord. Indien hij uitsluitend tekent voor gezien kan hij daarbij tevens aangeven waarom hij niet akkoord is. De cliënt draagt er zorg voor dat het getekende exemplaar binnen 10 werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon met wie hij het gesprek heeft gevoerd. In lid 5 is opgenomen dat indien de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening hij dit kan aangeven op het door hem ondertekende verslag. Dit verslag dient dan tevens als aanvraag. Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening In de Wmo 2015 zijn de termijnen afwijkend geregeld ten opzichte van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Na ontvangst van de melding dient er binnen maximaal zes weken een onderzoek plaats te vinden. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is afgerond tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de melding. Na ontvangst van een aanvraag heeft het college twee weken de tijd om een beschikking af te geven. Indien er conform artikel 2.2 lid 6 wordt afgezien van een onderzoek kan de cliënt of zijn gemachtigde of (wettelijk) vertegenwoordiger een aanvraag schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Lid 3 bepaalt dat ook een ondertekend verslag van het onderzoek kan dienen als aanvraag indien de cliënt op het verslag heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor een maatwerkvoorziening. Artikel 2.5 Aanvraag maatwerkvoorziening begeleiding (individueel en/of groep) en persoonlijke verzorging zorg in natura Bij de regionale inkoop voor begeleiding en persoonlijke verzorging is met zeven regiogemeentes (Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Heusden, Hilvarenbeek, Oisterwijk en Tilburg) afgesproken dat de beoogd zorgaanbieder een rol krijgt bij het vaststellen van de aard en omvang van de benodigde voorziening. De medewerker van de Toegang brengt tijdens het gesprek met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger in kaart op welk van de volgende leefdomeinen ondersteuning nodig is: wonen, financiën, regie op eigen leven, maatschappelijke participatie, gezin en huiselijke relaties en sociaal netwerk. De resultaten worden ingevuld in de matrix leefdomeinen en resultaatgebieden, het stappenplan uit bijlage 1d wordt hierbij gevolgd. De matrix is als bijlage 1a bij deze verordening opgenomen. In bijlage 1b en 1c wordt de matrix nader uitgewerkt (omschrijving van de resultaatgebieden en de intensiteiten). De beoogd zorgaanbieder stelt met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger een ondersteuningsplan op. Daarin wordt de benodigde intensiteit vertaald in (gemiddelde) omvang in uren of dagdelen per week. Het verslag van het gesprek samen met het ondersteuningsplan vormt de aanvraag voor de maatwerkvoorziening. Artikel 2.6 Aanvraag persoonsgebonden budget Voor maatwerkvoorzieningen bestaat in beginsel de mogelijkheid om te kiezen tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget. Indien iemand kiest voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget, moet hij hiervoor een motivering kunnen geven, zoals bedoeld in artikel 2.3.6 tweede lid onder b van de wet. Door de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Ook moet hij vooraf inzicht geven in hoe de besteding van het persoonsgebonden budget voorziet in de vastgestelde ondersteuningsbehoefte. Mede door aan deze eisen te voldoen maakt de cliënt zich verantwoordelijk voor een passende besteding van het budget. Met sub c bedoelen we bij een materiele zaak bijvoorbeeld technische eisen van bijvoorbeeld een traplift of scootermobiel. Bij een dienst gaan we uit van het budgetplan waarin staat opgenomen hoe, door wie en in welke vorm de dienst wordt verleend. Artikel 2.7 Aanvraag maatwerkvoorziening begeleiding (individueel en/of groep) en persoonlijke verzorging persoonsgebonden budget Bij de aanvraag van een maatwerkvoorziening voor begeleiding (individueel en/of groep) en persoonlijke verzorging in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in het verslag van het gesprek de benodigde omvang van zorg opgenomen (conform de matrix zoals opgenomen in bijlage 1a). In het budgetplan wordt aangegeven hoe de concrete invulling van de ondersteuning is (per resultaatgebied). De zorgverlener en de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger ondertekenen dit budgetplan. Het verslag van het gesprek samen met het budgetplan vormt de aanvraag voor de maatwerkvoorziening. Artikel 2.8 Inhoud beschikking In dit artikel is opgenomen welke elementen worden opgenomen in de beschikking. In de beschikking staat de informatie die voor de cliënt nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Artikel 2.9 Advisering Dit artikel bepaalt dat het college bevoegd is degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen Artikel 3.1 Algemene voorziening Een algemene voorziening is in de wet gedefinieerd als een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie of op opvang. De beperkte toegangsbeoordeling van de algemene voorziening zal voornamelijk betrekking hebben op de doelgroep van de voorziening. Het college kan de regels voor bepaalde algemene voorzieningen nader uitwerken in beleidsregels. Artikel 3.2 Waardering voor mantelzorgers Het college moet zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar cliënten. Artikel 2.1.6 van de wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De woonplaats van de cliënt is bepalend, het kan dus ook mantelzorgers betreffen die in andere gemeenten wonen. Het gaat hierbij ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van de wet uitgekomen. Artikel 3.3 Hulp aan Huis Sinds 2013 bestaat de algemene voorziening Hulp aan Huis. Hiervoor was de cliënt een eigen betaling verschuldigd. Met ingang van 1 januari 2020 is nieuwe instroom niet meer mogelijk in de algemene voorziening en worden alle cliënten gefaseerd omgezet voor de maatwerkvoorziening Hulp aan Huis door middel van indicatie/beoordeling. Met ingang van 1 januari 2020 is voor de algemene voorziening Hulp aan Huis een eigen bijdrage van toepassing (abonnementstarief). Tot de beoordeling voor de maatwerkvoorziening Hulp aan Huis worden de uren van de algemene voorziening Hulp aan Huis vastgezet op het niveau van het gemiddeld werkelijke verbruik (in uren per week) over het jaar 2019. Indien er sprake is van een situatie waarbij de cliënt gedurende een kortere periode gebruik gemaakt heeft van de algemene voorziening wordt hiermee rekening gehouden. Bij een verzoek tot verhoging van het aantal uren zal de cliënt (vervroegd) worden beoordeeld voor de maatwerkvoorziening Hulp aan Huis. Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen Artikel 4.1 Criteria voor maatwerkvoorzieningen In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3 tweede lid onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In dit artikel van de verordening zijn de algemene criteria opgenomen, in de volgende artikelen uit dit hoofdstuk zijn meer specifieke criteria opgenomen per productgroep. Bij het verstrekken van maatwerkvoorzieningen komt het neer op het leveren van maatwerk. Het is daardoor niet mogelijk en wenselijk om in de verordening limitatief te regelen welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. In lid 4 is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan wordt, moge duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Ook bij maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is het begrip goedkoopst compenserend van toepassing. Indien bijvoorbeeld de kosten van het te leveren aantal uren begeleiding de vastgestelde tarieven voor Beschermd Wonen (een zwaardere ondersteuningsvorm) overstijgt kan het persoonsgebonden budget voor begeleiding worden gemaximeerd tot het niveau van de kostprijs van Beschermd Wonen. Artikel 4.2 Regels voor pgb In dit artikel is opgenomen dat het college een persoonsgebonden budget verstrekt in overeenstemming met de wet. Een pgb wordt alleen verstrekt als de cliënt dit wenst en hier gemotiveerd om vraagt. Door deze motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. In lid 2 is opgenomen dat het in beginsel niet mogelijk is om kosten achteraf te declareren. Lid 3 bepaalt de wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Het tarief van het pgb is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden en is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen. De hoogte van het pgb bedraagt maximaal de hoogte van de kostprijs van de in betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd zal worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Er zijn verschillende tarieven voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Er wordt rekening worden gehouden met onder andere de rechtsvorm van de dienstverleners. Tevens wordt in nadere regels verder uitgewerkt onder welke voorwaarden een cliënt de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoord tot zijn sociale netwerk. Uitgangspunt is hierbij dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt. Artikel 4.3 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen Verhuizing naar een geschikte woning of een gemakkelijk geschikt te maken woning kan een snelle(re) oplossing bieden dan het aanpassen van een woning. Bovendien kan een woning zich niet lenen voor aanpassing. Dat kan betekenen dat er eerst naar alternatieven gekeken zal moeten worden. Daarbij zal zo mogelijk rekening gehouden worden met de behoeften van de cliënt. Dat wil zeggen dat in een afweging bepaald zal worden hoe die behoeften zich verhouden tot de belangen (met name financiële) van de gemeente. Het college stelt hier nadere regels over op. Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen In dit artikel is bepaald dat bij vervoersvoorzieningen een aanwezige en bruikbare algemene voorziening (zoals een rolstoel of scootermobielpoule) een oplossing kan bieden voor personen met een beperkte vervoersbehoefte op de korte afstand. Datzelfde geldt voor het zogenaamde vraagafhankelijke vervoer van deur tot deur. Om hierbij te komen tot maatwerk zal de vervoersbehoefte van de cliënt uitgangspunt zijn voor de beoordeling welke voorziening nodig is om het te bereiken resultaat te bereiken. Voorliggende voorzieningen kunnen maatwerkvoorzieningen voorkomen. De omvang van de te bieden compensatie zal over het algemeen liggen tussen de 1500 en 2000 kilometer per jaar. Het college stelt hier nadere regels over op. Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden Dit artikel gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg. Er wordt rekening gehouden met huisgenoten uit de leefeenheid die ouder zijn dan 18 jaar. Wanneer die in staat zijn werkzaamheden over te nemen wordt allereerst gekeken of dit niet een voorliggende voorziening is. Alle huisgenoten boven de 18 jaar zijn met elkaar verantwoordelijk voor het voeren van een huishouden. Dat betekent dan, wanneer één van de huisgenoten uitvalt, via herverdeling de andere huisgenoten deze taken zullen moeten overnemen. Alleen als er geen huisgenoten zijn of als huisgenoten met enige regelmaat langdurig afwezig (bijvoorbeeld militairen op uitzending) zijn kan er aanleiding bestaan voor het verstrekken van een voorziening. Uiteraard bestaat er een noodzaak tot verstrekken van een voorziening als de huisgenoot zelf ook niet in staat is de bedoelde werkzaamheden te verrichten. Niet gewend zijn deze werkzaamheden te verrichten is geen reden tot het verstrekken van een voorziening. Alleen dreigende overbelasting of bestaande overbelasting van huisgenoten kan hiertoe aanleiding zijn. Door onderzoek zal deze overbelasting vastgesteld worden. Het college stelt hier nadere regels over op. Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen om in aanmerking te komen opvang of beschermd wonen. Indien blijkt dat beschermd wonen voor een cliënt noodzakelijk is wordt er ook altijd beoordeeld wat voor deze cliënt de meest passende plek is. In lid 3 is uitgewerkt wanneer een cliënt in aanmerking komt voor beschermd wonen. Er moet sprake zijn van de in het artikel genoemde beperkingen en een noodzaak zijn om verslechtering van de huidige situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken. Een cliënt komt alleen in aanmerking voor beschermd wonen als de cliënt niet beschikt over alternatieven. Artikel 4.7 Weigeringsgronden en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen In lid 1 sub a wordt bepaald dat voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, er geen maatwerkvoorziening wordt toegekend. Lid 1 sub b is een herhaling van het algemene toetsingskader zoals deze in de wet centraal staat. Indien men op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen bestaat er geen noodzaak voor een maatwerkvoorziening. Ook lid 1 sub c is een herhaling van het algemene toetsingskader van de wet. Een algemene voorziening gaat voor op een maatwerkvoorziening. Kan men gebruik maken van een algemene voorziening dan bestaat er geen noodzaak tot verstrekking van een maatwerkvoorziening. Lid 1 sub d gaat over algemeen gebruikelijke voorzieningen. Bij de begripsbepalingen is een nadere uitleg opgenomen over het begrip algemeen gebruikelijk voorziening. Indien een voorziening voor een persoon als de aanvrager als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd bestaat er geen noodzaak tot verstrekking van een maatwerkvoorziening. In lid 1 sub f is opgenomen dat geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht. De maatwerkvoorziening is immers gericht op de individuele cliënt. Het past niet om generieke voorzieningen te treffen, daar zijn algemene voorzieningen meer geschikte instrumenten voor. In lid 1 sub g is opgenomen dat er geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de noodzaak voor deze voorziening door de cliënt redelijkerwijs te voorzien was en de cliënt in redelijkheid te vergen mogelijkheden heeft/had om zelf voor een passende oplossing te zorgen. In lid 2 is opgenomen dat er geen voorziening wordt verstrekt indien deze niet langdurig noodzakelijk is. Er worden alleen voorzieningen verstrekt als die voor langere tijd nodig zijn en tevens noodzakelijk zijn om de beperkingen op te heffen of te verminderen. Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budgetten In dit hoofdstuk is de tariefstelling van de persoonsgebonden budgetten geregeld. Er zijn diverse soorten tarieven voor persoonsgebonden budgetten zoals voor hulpmiddelen (zoals bijvoorbeeld rolstoelen), voor vervoersvoorzieningen, woningaanpassingen maar ook voor begeleiding (individueel/groep), logeeropvang en beschermd wonen. De opbouw van de tarieven staat hier beschreven maar ook de daadwerkelijke tarieven zijn opgesomd per voorzieningencategorie. Voor enkele voorzieningen wordt voor een nadere uitwerking verwezen naar bijlage 2, 3 & 4. Hoofstuk 6 Bijdragen Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen Dit artikel geeft uitvoering aan het artikel 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet. Op maatwerkvoorzieningen is het abonnementstarief van toepassing. In het landelijke uitvoeringsbesluit is het tarief per maand opgenomen. In dit artikel is opgenomen voor welke voorzieningen het abonnementstarief van toepassing is en hoe de kostprijs van een voorziening wordt bepaald. De bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs. In het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen. Het CAK is verantwoordelijk voor de vaststelling en inning van de eigen bijdragen. Het college kan eventueel nadere regels stellen met betrekking tot de eigen bijdrage. Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving Artikel 7.1 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 In dit artikel zijn regels opgenomen ter bestrijding van het onterecht ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Dit artikel is tevens van toepassing op de algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening. Lid 1 Het is van belang dat cliënten zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een maatwerkvoorziening of een daaraan gekoppeld persoonsgebonden budget. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden of de medewerkingsverplichting. Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de cliënt hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen. Lid 2 Deze bepaling berust mede op artikel 2.3.8 van de wet, waarin is vastgelegd dat de cliënt het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget. De medewerkingsverplichting uit het derde lid van artikel 2.3.8 ziet toe op alle denkbare vormen van medewerking om toe te kunnen zien op rechtmatige verstrekking van een maatwerkvoorziening of pgb. Lid 3 Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een maatwerkvoorziening of algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening, kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij "wijzigen" gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe. De tegenhanger is "herzien", wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. Lid 8 Deze bepaling ziet op het wettelijk mogen verwerken/gebruikmaken van (bijzondere) persoonsgegevens bij controle door de Toezichthouder Wmo. Ook vormt dit de grondslag om (controlerende) interventies en passende maatregelen te kunnen toepassen. Artikel 7.2 Opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget In dit artikel is geregeld dat het college aan de Sociale Verzekeringsbank kan verzoeken om de betalingen uit het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk op te schorten (voor maximaal 13 weken van betalingen) als er een ernstig vermoeden is dat er sprake is van een omstandigheid uit artikel 2.3.10 eerste lid, onder a, d of e. Het gaat dan om bijvoorbeeld niet voldoende aan de gestelde voorwaarden of het persoonsgebonden budget gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het is toegekend. Artikel 7.3 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten Naast met het oog op de beoordeling van kwaliteit, dient het college, al dan niet steekproefsgewijs, ook te onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb's worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt en of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en uit gesprekken met de aanbieder. Hoofdstuk 8 Kwaliteit en klachten Artikel 8.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning In dit artikel zijn de kwaliteitseisen opgenomen voor aanbieders ten behoeve van een goede kwaliteit van voorzieningen en deskundigheid van beroepskrachten. Het college kan tevens nadere regels stellen op het gebied van kwaliteit voor te verstrekken persoonsgebonden budgetten. Het college ziet toe op naleving van de eisen door periodieke overleggen, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien nodig het ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 8.2 Verhouding prijs en kwaliteit voorzieningen door derden In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college en reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. In het tweede lid is opgenomen dat bij het vaststellen van de prijs het college rekening dient te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het derde lid bepaalt dat het college de vaste prijs of reële prijs minimaal moet baseren op de in het artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend, er kunnen elementen aan worden toegevoegd. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van de reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld De aanbieder heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder. Daarnaast zullen meldingen over incidenten, calamiteiten en geweld ook in het kader van het contractmanagement onderwerp van gesprek zijn. Artikel 8.4 Klachtregeling Aanbieders van voorzieningen moeten beschikken over een interne klachtregeling. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachtenregeling. In de contracten met de aanbieder worden eisen vastgelegd die van belang zijn om de klachtenregeling goed te kunnen laten functioneren. Artikel 8.5 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening, opvang of beschermd wonen moeten beschikken over een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. Het college ziet toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door het voeren van periodieke overleggen met de aanbieders en door een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Hoofdstuk 9 Inspraak Artikel 9.1 Betrekken van ingezetenen bij beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. In lid 1 wordt verwezen naar de door gemeente vastgestelde inspraakverordening ter waarborging van eenzelfde inspraakprocedure voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Hoofdstuk 10 Privacy Artikel 10.1 Privacyprotocol Het college heeft op 15 december 2015 een Privacyprotocol vastgesteld met betrekking tot de vastlegging en verwerking van persoonsgegevens. Voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo2015) is het vastleggen en verwerken van persoonsgegevens noodzakelijk. Naast de regels die opgenomen in de wetgeving is ook het Privacyprotocol Toegang Tilburg van toepassing. Hoofdstuk 11 Slotbepalingen Artikel 11.1 Hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze hardheidsclausule. Artikel 11.2 Voorwaarden In dit artikel wordt bepaald dat er aan het verstrekken van voorzieningen voorwaarden verbonden mogen worden. Artikel 11.3 Besluit en Beleidsregels In dit artikel wordt bepaald dat er een Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg en beleidsregels worden vastgesteld. Deze documenten bevatten richtlijnen over de uitvoering van deze verordening. Het besluit onder andere de hoogte van eigen bijdrage in de kosten. Artikel 11.4 Indexering De tarieven en bijdragen uit deze verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg kunnen jaarlijks worden geïndexeerd. In deze verordening en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg staan de regels opgenomen op grond waarvan dit gebeurt. Artikel 11.5 Intrekkingen oude verordening en overgangsrecht De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit de Wmo overgaan naar de Wmo 2015 (artikel 8.9). In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. Bestaande rechten lopen door, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel opgenomen dat meldingen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Omdat dit nadelige gevolgen voor de cliënt kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit ter voorkoming dat de cliënt gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en zijn rechtspositie door het tijdsverloop wordt aangetast. De zelfde regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in het zesde lid. Artikel 11.6 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en de wijze waarop deze wordt geciteerd. De kortere vorm voor dagelijks gebruik is Verordening MO Tilburg 2020.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel