Naar hoofdinhoud
1.. In aanvulling op artikel 4.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor een woonvoorziening als hij: aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en; in redelijke mate inspanning heeft gedaan om een geschikte woning te vinden en te bewonen, en/of; een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis heeft met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen. 2.. Een cliënt kan alleen voor een woonvoorziening in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk en de goedkoop adequaatste voorziening is. Bij deze overweging worden ook voorzienbare kosten in de toekomst meegewogen. Verhuizing wordt in beginsel niet toegepast indien de kosten en de te verwachten kosten in de toekomst, beoordeeld door een indicatiesteller, van een noodzakelijke woonvoorziening(en) lager zijn dan een bedrag dat door het college wordt vastgesteld in de nadere regels. 3.. Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, dan wel voor het bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft als het hoofdverblijf van de cliënt in een erkende zorginstelling is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel