Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 1

Artikel 10

Verantwoording en vaststelling subsidie

Onderdeel van Deelverordening subsidies onderwijs en opvang 2019

1. In afwijking van het gestelde in de ASV levert de houder jaarlijks uiterlijk op 1 juni een tussenrapportage over de gecontracteerde peuterplaatsen per 1 mei van het betreffende kalenderjaar aan het college aan en op 1 november de actuele stand per 1 oktober van dat jaar, middels het format tussenrapportage. Deze rapportage kan leiden tot een tussentijdse aanpassing van de subsidie middels een aanvullende aanvraag op voorwaarde dat het subsidieplafond nog niet is bereikt. 2. De houder levert op uiterlijk 1 mei een eindrapportage aan over het voorafgaande subsidiejaar middels het format eindrapportage en een inhoudelijk verslag over naleving van de Nunspeetse standaard en de daaraan gekoppelde inzet van de opslag voor- en vroegschoolse educatie. 3. Het definitieve subsidiebedrag voor peuterwerk en VVE wordt vastgesteld op basis van de gegevens uit de eindrapportage van de houder en de rekenregels in deze regeling. De vaststelling kan een terugvordering tot gevolg hebben als houder minder bezette peuterplekken heeft gerealiseerd dan het aantal waarvoor de subsidie is verleend. 4. Het definitieve subsidiebedrag voor SMI wordt op declaratiebasis vastgesteld en is nooit hoger dan is aangevraagd. 5. Voor subsidies van € 50.000 en hoger dient de eindrapportage voorzien te zijn van een controleverklaring van een accountant. 6. Het college kan te allen tijde bij de houder nadere gegevens opvragen om de rechtmatigheid van de besteding van de subsidie conform de opgelegde voorwaarden te controleren. Daartoe is houder verplicht de door het college aangewezen toezichthouders desgewenst inzage te geven in diens administratie betreffende onder meer: Inkomensverklaringen of andere bewijzen voor de hoogte van het gezinsinkomen; Verklaringen Geen recht op kinderopvangtoeslag; Plaatsingscontracten waaruit aantal uren, ouderbijdrage en start- en (verwachte) einddatum blijken; Indicaties voor plaatsingen van doelgroeppeuters en sociaal-medische-indicaties. 7. Als blijkt dat gedurende of na afloop van de subsidieperiode bestuurlijke handhaving van kracht is, dan heeft het college het recht de subsidie te herzien of lager vast te stellen, de bevoorschotting te stoppen en de subsidie geheel of gedeeltelijk terug te vorderen.

Rechtspraak bij dit artikel