Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Parkeerverordening 2020

1.. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen. 2.. Het college stelt regels voor het aanvragen en verlenen van een vergunning conform het vigerende door de raad vastgestelde parkeerbeleid. 3.. Een vergunning kan worden verleend aan: een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie I); een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie II); een eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor autodelen, waarvan de deelautoplaats is gelegen in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie III); bewoners van een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en waarbij de aanvrager aangewezen is op mantelzorg (categorie IV). Bewoners van een gebied waar mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn ten behoeve van het parkeren van een motorvoertuig van bezoekers op een parkeerapparatuurplaats (categorie V). 4.. Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten. 5.. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied, per gebouw/adres en per categorie vaststellen. 6.. Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een vergunning voor categorie III kan het college voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik. 7.. Het college kan besluiten, bij een functiewijziging van een pand of object, het aantal toe te kennen parkeerproducten te beperken tot het maximale aantal parkeerproducten dat voor de functiewijziging ten behoeve van het betreffende pand of object kon worden uitgegeven.

Rechtspraak bij dit artikel