Een vervoersvoorziening in het kader van bovenregionaal vervoer kan worden verstrekt indien;
in de eigen directe woon- en leefomgeving weinig tot geen sociale contacten zijn waardoor men niet deelneemt aan het sociale leven en het niet hebben van de bovenregionale contacten tot sociale vereenzaming zou kunnen leiden;
het bovenregionaal contact niet op een andere wijze ingevuld kan worden.
Hoofdstuk 4
Artikel 17