In beginsel geldt een toetsing aan de wet als een uiterst middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Het bestuursorgaan moet hierbij de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen, waardoor het bestuursorgaan eerst gebruik moet maken van de eigen instrumenten.
Indien op grond van deze beleidsregel een Bibob-toets wordt uitgevoerd, dient betrokkene de Bibob-vragenformulieren in te vullen en in te leveren bij het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak. Daarbij dienen ook de documenten te worden gevoegd die in de vragenformulieren zijn vermeld en/of bij de uitreiking van de formulieren door of namens het bestuursorgaan zijn genoemd. Daarnaast bevatten de vragenformulieren in elk geval de in artikel 30, tweede lid, van de wet genoemde vragen en eventuele aanvullende vragen die het bestuursorgaan zo goed mogelijk in staat stellen een eigen onderzoek te kunnen verrichten. Indien de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe beschikking, maken de Bibob-vragenformulieren onderdeel uit van die aanvraag.
Alvorens het eigen onderzoek naar het zich voordoen van intrekkings- of weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet wordt gestart, wordt een aanvraag eerst beoordeeld op grond van de bepalingen van de Awb en de reguliere intrekkings- of weigeringsgronden vanuit de onderliggende regelgeving van de desbetreffende vergunning. Het daarop aansluitende eigen onderzoek naar het zich voordoen van de intrekkings- of weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet kan bestaan uit 2 fases.
Fase 1: Eigen onderzoek
Het onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:
De door de betrokkene aangereikte informatie/documenten bij de Bibob-vragenformulier(en) en de door hem/haar daarbij aangeleverde documenten;
Eventuele extra, op verzoek van het bevoegd gezag, door betrokkene overgelegde documenten of informatie;
Open bronnen onderzoek.
Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de informatiepositie van het bestuursorgaan versterkt worden vanuit het RIEC. Ook kan het bestuursorgaan desgewenst gebruik maken van de expertise van het RIEC.
Als het bestuursorgaan op basis van het eigen onderzoek in het kader van de wet genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in de wet, kan hij de vergunning weigeren of intrekken.
Fase 2: een adviesaanvraag bij het Bureau
Aanvullend op de controle en analyse van de (extra) verstrekte informatie als hiervoor genoemd, kan een advies bij het Bureau worden gevraagd indien:
Na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden van betrokkene en/of daarmee in verband te brengen derden, waaronder onder andere de financier van de betreffende activiteiten en/of onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd of de partner van de betrokkene;
Na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfs- en/of organisatiestructuur van aan de uitvoering van de beschikking te verbinden onderneming(en);
Na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van de aan de betreffende beschikking te verbinden activiteiten;
De officier van justitie de gemeente de tip geeft om in een bepaalde zaak een Bibob-advies aan te vragen.
Een toetsing aan de wet met behulp van een advies van het Bureau geldt in beginsel als een uiterst middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Het is in het kader van de vergewisplicht aan het bestuursorgaan om te bepalen of het advies voldoende ondersteuning biedt voor het uiteindelijk te nemen besluit.