In dit hoofdstuk wordt het energiebesparingspotentieel beschreven voor de gebouwde omgeving in Gulpen- Wittem. Dit betreft het efficiënt omgaan met energie, oftewel ervoor zorgen dat de energievraag of het verbruik omlaag gaat. In deze paragraaf betreft het energiebesparing bijvoorbeeld door bouwkundige maatregelen, zoals isolatie van gevel/ dak/ vloer, of installatietechnische maatregelen zoals het toepassen van installaties met hoog rendement, energiezuinige verlichting, etc. In het algemeen wordt dit ook wel aangeduid als energie-efficiëntie (met minder energie hetzelfde resultaat bereiken).
Het potentieel voor energiebesparing en de aanpak om vanuit de gemeente de besparing te bevorderen, is verschillend per sector. In het energieverbruik wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën:
Woningen (huur/ particulier)
Zakelijk:
Bedrijven/ utiliteitsbouw
Klein zakelijk
Industrie
Landbouw, bosbouw, etc.
Vervoer/ mobiliteit
De categorie vervoer en mobiliteit wordt in de potentieanalyse voor energiebesparing buiten beschouwing gelaten, alsmede het energieverbruik door industriële processen (industrie) en landbouw. De analyse voor energiebesparing richt zich op de gebouwde omgeving.
De ambitie voor energiebesparing
In het Energieakkoord is de doelstelling voor wat betreft energiebesparing vastgesteld op 1,5% per jaar. Voor energie-efficiëntie is de doelstelling voor zowel de Europese Unie, als voor Nederland: 20% besparing in 2020 en 27% in 2030. Voor de gemeente Gulpen-Wittem wordt op het gebied van energie-efficiëntie dezelfde doelstelling aangehouden, wat betekent op het totaalverbruik van 0,8 PJ (totaal van 1,3 PJ min verbruik voor vervoer, industrie en landbouw) een besparing van 0,22 PJ.
In het Nederlandse energiebesparingsbeleid zijn de doelstellingen voor energiebesparing in de gebouwde omgeving voor verschillende sectoren nog nader gespecificeerd. Dit is vastgelegd in verschillende koepelconvenanten, samengevoegd in het Koepelconvenant uit 2012. Hieruit kunnen voor de gemeente Gulpen-Wittem nog concretere doelstellingen afgeleid worden:
In de bestaande bouw moeten elk jaar 300.000 woningen en andere gebouwen (dit is ca. 3%) minimaal 2 labelstappen maken voor het energielabel;
Nieuwbouw moet in 2020 bijna energieneutraal zijn (BENG);
Overheidsgebouwen moeten vanaf 2018 bijna energieneutraal zijn;
In de sociale huursector moet 80% van de woningen in 2020 gemiddeld label B hebben;
Van woningen in de particuliere huursector moet in 2020 80% gemiddeld label C hebben.
In onderstaande tabel zijn de eisen weergegeven voor BENG. Deze zijn gepresenteerd door de Rijksoverheid als de voorgenomen eisen aan de energieprestatie van nieuwe gebouwen die vanaf 1 januari 2021 gelden. De energiebehoefte in kWh per m² geeft een indicatie wat het streven moet zijn per sector. Voor het bepalen van de energiebehoefte wordt de energiebehoefte voor verwarming en koeling opgeteld. Voor utiliteitsgebouwen telt ook de energiebehoefte voor verlichting mee.
In onderstaande tabel is een inschatting gemaakt van wat de norm zou moeten zijn voor de energiebehoefte, als wordt uitgegaan van de BENG-normen.
Sector
BENG-norm (kWh/m²)
Totaaloppervlakte BAG (m²)
Totaal max. energiebehoefte (TJ 12 1 PJ = 1000 TJ)
onderwijs
25
38822
6,99
gezondheidszorg
65
16402
3,84
woonfunctie
25
1867992
168,12
utiliteit
50
414687
37,32
Totaal
216,27
Tabel12: Maximale energieverbruik volgens BENG-normen
Huidige verbruik
Het energieverbruik in totaal van de gebouwde omgeving is 1,1 PJ, oftewel 1.100 TJ. Voor woningen is dat bijvoorbeeld 0,7 PJ, dus 76% van dan de bovengenoemde maximale energiebehoefte. Maar dat is als alle woningen aan BENG-eisen zouden voldoen, wat niet realistisch is. Wel is het van belang waar in verhouding het grootste verbruik is, dus waar de grootste besparing valt te behalen. Het merendeel van het verbruik is door woningen, gevolgd door utiliteit (alle gebouwen die geen woonbestemming hebben, zoals kantoren, industrie, winkels, etc.). Energie in Beeld geeft een overzicht verder per wijk waar de grootste verbruikers zich bevinden.
Figuur 15: Huidig energieverbruik per gebied - particulier
Woningen
Op basis van geregistreerde energielabels wordt ook inzicht verkregen in de huidige energieprestaties van gebouwen. De energielabels zijn gebaseerd op prestaties n.a.v. bouwkundige eigenschappen (bijvoorbeeld isolatiewaarde gevel, dak, en glas), en installatietechnische prestaties (voor warmte en koeling). Wanneer bij een woning zonnepanelen zijn geplaatst voor het opwekken van energie, wordt dit ook meegenomen in de toekenning van een label. Maar dit scheelt ongeveer 1 labelstap (bijvoorbeeld van label B naar A). Uit onderstaande figuur blijkt dat ongeveer één derde van de woningen een label heeft lager dan C, nog eens één derde label C, en tenslotte één derde label A. Dus voor ca. 66% is er zeker verbeterpotentieel op het gebied van energieprestaties. Voor de utiliteitsbouw zijn te weinig gegevens beschikbaar over labels (totaal ca. 40 labels toegekend).
Figuur16: Geregistreerde energielabels voor woningen (Bron: Nationale Energie Atlas)
Volgens het dashboard waarstaatjegemeente.nl is het energieverbruik (gas en elektriciteit) van woningen ongeveer het dubbele ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Dit is deels te verklaren doordat er meer
grondgebonden woningen zijn dan bijvoorbeeld appartementen: deze verbruiken gemiddeld meer energie. Daarnaast zijn de woningen in Gulpen-Wittem ook gemiddeld ouder dan landelijk (bijvoorbeeld: bouwjaar voor 1944 is boven de 30% in Gulpen-Wittem ten opzichte van 19,2% landelijk). In nieuwere woningen zijn vaak al meer energieprestatie verbeterende maatregelen doorgevoerd vanwege stringentere wettelijke eisen. Dit houdt wel in dat er relatief meer besparing nog door te voeren is.
Concrete maatregelen voor energie-efficiëntie in woningen zijn:
Bouwkundige maatregelen zoals de isolatie van gevel/ dak; spouwmuur isoleren; toepassen van HR++ ramen;
Installatietechnisch: vervanging ketels, boilers etc. voor energiezuinig;
Gedrag: bijvoorbeeld het sturen op gedrag door het aanbrengen van slimme meters.
Een grote besparing is te realiseren in geval van de overgang van een Hr-ketel naar een warmtepomp. Een warmtepomp wekt met 1 eenheid elektriciteit 4 eenheden warmte op. Door deze maatregel is dus 75% energie te besparen. Die besparing geldt echter alleen als de elektriciteit opgewekt is met windturbines of zonnepanelen. Wordt de energie opgewekt door een gas, kolen- of biomassacentrale, dan gaat er al 40% tot 60% aan energie verloren als de restwarmte van die centrales niet nuttig ingezet kan worden. Het overgaan op Ledverlichting is een ander installatietechnische aanpassing die een besparing oplevert op het elektriciteitsverbruik. De bouwkundige maatregelen dragen bij aan het verminderen van de warmtevraag en dus op dit moment vooral van de gasvraag.
Het merendeel van de woningen is particulier bezit (80%). Daardoor is wel een andere benadering nodig door de gemeente om energiebesparende maatregelen te realiseren. Mogelijke aanpak hiervoor wordt beschreven in hoofdstuk 8.
Utiliteitsbouw
De categorie utiliteitsbouw is na woningen de grootste verbruiker. In een onderzoek van ECN en CE Delft is gebleken dat vooral bij kantoren, gezondheidszorg, supermarkten, MKB en landbouw het grootste potentieel ligt voor energiebesparing. Energiebesparing in de utiliteitsbouw is voor de rijksoverheid een beleidsprioriteit zoals onder meer blijkt uit het in september 2013 afgesloten ‘Energieakkoord voor duurzame groei’.
Figuur 17: Huidig energieverbruik per gebied - zakelijk
Bovenstaande figuur geeft aan per gebied waar het grootste verbruik is. Het hoogste energieverbruik ligt rondom de grotere kernen Gulpen, Wijlre en in mindere mate, Mechelen. Hier liggen ook de bedrijven en instellingen met een groot deel van de functies met het hoogste besparingspotentieel: kantoren, winkels (o.a. groothandel), industrie zich bevinden. Uit onderzoek van CE Delft blijkt dat landelijk in de dienstensector ca. 41 tot 60 PJ bespaard kan worden (38% warmte en 62% elektriciteit). En industriële bedrijven die onder de Wet Milieubeheer vallen (zie wet- en regelgeving) ca. 17 tot 34 PJ (33% warmte en 67% elektriciteit).
Concrete maatregelen voor energiebesparing in utiliteitsbouw zijn:
Bouwkundige maatregelen, zoals het isoleren van dak, vloer en gevel; toevoegen van HR++ glas;
• Installatietechnische maatregelen, zoals rendement verbeteren van klimaatinstallaties, warmteterugwinning, energiezuinige verlichting (LED);
Afstemmen op gedrag/ gebruik, bijvoorbeeld aanwezigheidsdetectie, gedrag van gebruikers aanpassen, slimme meters voor inzicht in verbruik, etc.
Gemeentelijk vastgoed
Door energiebesparende maatregelen door te voeren bij het eigen gemeentelijk vastgoed, geeft zij het goede voorbeeld aan bewoners en bedrijven. Hiermee is Gulpen-Wittem naar aanleiding van het vorige klimaatbeleidsplan goed op weg met isolatie van en zonnepanelen op een groot aantal gebouwen. Zaak is nu om duurzaamheid mee te nemen als startcriterium bij het (her)ontwikkelen van gemeentelijke panden en in het MeerJaren OnderhoudsPlan (MJOP), zodat het streven naar energieneutrale gebouwen over de loop van de jaren stap voor stap bereikt kan worden. Ook kan de gemeente als uitgangspunt nemen dat gebouwen die nieuwgebouwd worden, of grootschalig gerenoveerd worden, aardgasloos gerealiseerd worden en dus overgaan op WKO of naar een all-electric oplossing,
Overige energiebesparende maatregelen voor de gemeente zijn:
Openbare Verlichting
Pompen en gemalen voor de waterschappen en riolering
Hoofdstuk 6
Artikel 6.7
Potentie voor energiebesparing in de gebouwde omgeving
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Gulpen-Wittem houdende regels omtrent het klimaat- en energiebeleidsplan 2018-2021