Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 7

Ontheffingsvoorschriften

Onderdeel van Beleidsregel ‘Resthout met beleid verbranden gemeente Zevenaar 2019’

1.. De locatie van de stookplaats ten aanzien van snoei- en gerooid hout tot en met 20 m3 bedraagt ten minste de volgende afstand tussen de rand van de stookplaats en de genoemde objecten: 10 meter tot een oppervlaktewater; 25 meter in een andere richting dan de windrichting tot een eigen gebouw of opstal; 50 meter in een andere richting dan de windrichting tot een gebouw of opstal van derden, een houtwal, een opstapeling van oogstproducten, een opslag van brandbare stoffen, een openbare weg, houtopstand, een bos of een bosschage; 100 meter in de winrichting tot een houtwal, een opstapeling van oogstproducten, een opslag van brandbare stoffen, een openbare weg, een bos of een bosschage; 200 meter in de windrichting tot een gebouw, opstal of ander bouwwerk. 2.. De locatie van de stookplaats ten aanzien van snoei- en gerooid hout groter dan 20 m3 bedraagt ten minste de volgende afstand tussen de rand van de stookplaats en de genoemde objecten: 10 meter tot een oppervlaktewater; 50 meter in een andere richting dan de windrichting tot een gebouw of opstal van derden, een houtwal, een opstapeling van oogstproducten, een opslag van brandbare stoffen, een openbare weg, houtopstand, een bos of een bosschage; 100 meter in de winrichting tot een houtwal, een opstapeling van oogstproducten, een opslag van brandbare stoffen, een openbare weg, een bos of een bosschage; 200 meter in de windrichting tot een gebouw, opstal of ander bouwwerk. 3.. In geval van een ontheffing snoeihout betreft de maximale toegestane hoeveelheid 30 m3. 4.. In geval van een ontheffing gerooid hout betreft de maximale toegestane hoeveelheid 75 m3. 5.. Stamhout met een doorsnede van meer dan 25 centimeter mag niet worden verbrand. 6.. Het stoken geeft geen overlast en vormt geen gevaar voor de omgeving. 7.. Het verbranden is niet toegestaan: in de periode 1 april tot 1 november, met uitzondering van ziek hout; tussen zonsondergang en zonsopgang; op een zon- of feestdag; tijdens een waarschuwingsfase voor verhoogde concentraties luchtverontreiniging; tijdens mist of neerslag; bij een windkracht kleiner dan één of groter dan vijf Beaufort; bij ‘droogte fase 2’ welke wordt afgegeven door de regionale alarmcentrale. 8.. Bij het aansteken van het vuur mag geen gebruik gemaakt worden van aanmaakstoffen zoals afgewerkte olie, benzine, petroleum, autobanden en dergelijke. Wel toegestaan zijn schoon onbehandeld hout en papier. Het aansteken met een gasbrander is een bruikbaar alternatief. 9.. Het vuur mag niet worden onderhouden met bladeren, houtwol, hooi, stro, of een dergelijke gemakkelijk opstijgende brandstof. 10.. Er mag geen gerooid hout afkomstig van andere percelen worden toegevoegd. 11.. Tijdens het stoken is een toezichthouder aanwezig. Hij is tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse aanwezig en draagt zorg voor een goed brandend vuur, zodat geen vonken opstijgen en zo min mogelijk rookontwikkeling optreedt. 12.. De toezichthouder heeft een afschrift van de stookontheffing met bijbehorende voorschriften bij zich. 13.. Aan het vuur mag geen ander afval of ander materiaal worden toegevoegd, dan waarvoor de ontheffing is verleend. 14.. Alle aanwijzingen en bevelen die door of namens het bevoegd gezag worden gegeven, dienen stipt en onmiddellijk te worden opgevolgd.

Rechtspraak bij dit artikel