1. Onverminderd het bepaalde in artikel 60c PW, artikel 29a IOAW en artikel 29a IOAZ, verleent het college
medewerking aan een schuldregeling indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn
schulden;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige
schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en
c. de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar
evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
2. Het vorige lid is niet van toepassing indien:
a. de terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende dan wel
de vordering ziet op bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in
artikel 48, lid 2, aanhef en onder b, PW;
b. de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de
vordering niet op die goederen verhaald kan worden.
3. In afwachting van het tot stand komen van een schuldregeling wordt na ontvangst van een verzoek om
medewerking hieraan de invordering van teruggevorderde uitkering terstond opgeschort.
4. Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien:
a. niet binnen 18 maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen
die voldoet aan de eisen als bedoeld in lid 1;
b. de belanghebbende zijn verplichtingen uit de schuldregeling niet nakomt; dan wel
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een ander besluit zou hebben geleid.
5. Het verzoek tot medewerking aan een schuldregeling als bedoeld in lid 1 kan slechts worden ingediend door
instanties en personen als vermeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet.
Artikel 12Kwijtschelding boete bij schuldregeling
1. Het college verleent op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, geheel of
gedeeltelijke kwijtschelding na het succesvol doorlopen van een schuldregeling als bedoeld in artikel 18a,
lid 13 PW, artikel 20a, lid 12, IOAW en artikel 20a, lid 12 IOAZ voor zover:
- er is geen sprake geweest van opzet of grove schuld bij de opgelegde boete;
- belanghebbende binnen een jaar na het opleggen van de boete niet nogmaals de inlichtingenplicht heeft
geschonden.
2. Artikel 11, lid 3 en lid 5, is van overeenkomstige toepassing.
3. Het besluit tot kwijtschelding wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is
opgelegd herzien, indien binnen 5 jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom de inlichtingenplicht is
geschonden.
Hoofdstuk 2:
Artikel 11