1. In afwijking van artikel 2, lid 1, onder d, besluit het college af te zien van terugvordering of van verdere

terugvordering van uitkering indien:

a. de belanghebbende gedurende 60 maanden volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en

ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of

b. de belanghebbende gedurende 60 maanden niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan,

maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met reeds gemaakte invorderingskosten,

alsnog heeft betaald en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of

c. gedurende 60 maanden door de belanghebbende geen betalingen zijn verricht en belanghebbende voor

de daadwerkelijke invordering niet (meer) is te traceren dan wel bij verblijf in het buitenland door

buitenlandse instanties niet aan de benodigde invorderingsmaatregelen wordt meegewerkt en voorts niet

valt te verwachten, dat hierin nog wijziging komt.

2. De in lid 1, onder a, b en c, genoemde termijn van 60 maanden bedraagt 120 maanden, alsmede ten minste

90% van de hoofdsom van de vordering moet zijn voldaan, bij een vordering als gevolg van het niet, niet tijdig

of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht en de vordering betrekking heeft op een tijdvak gelegen

vóór 1 januari 2013.

3. De in lid 1, onder a en b, genoemde termijn van 60 maanden bedraagt 36 maanden, indien de vordering een

lening voor duurzame gebruiksgoederen betreft.