**1..** Het college weigert een subsidie te verlenen voor een duurzaam project of een duurzaam programma als:
met de uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd al gestart is voordat de aanvraag voor subsidie is ingediend;
de subsidieaanvrager, geen woningcorporatie zijnde, niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden van de de-minimisverordening; en
een weigeringsgrond uit artikel 8, eerste lid van de ASA2023 of artikel 4:25, tweede lid Awb van toepassing is.
**2..** Het college kan weigeren of gedeeltelijk verlenen als:
de eigen bijdrage van de aanvrager aan de activiteiten naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is voor of onvoldoende bijdraagt aan het behalen van de doelstellingen van het project of het programma;
de subsidieaanvraag meer bedraagt dan het voor die activiteit in artikel 2.4 omschreven maximumbedrag;
de complexiteit van de voorbereiding onvoldoende is onderbouwd;
het activiteiten betreft waarbij onvoldoende is onderbouwd waarom de voorbereidingskosten niet ondergebracht kunnen worden in de anders rendabele investering die wordt voorbereid;
de activiteiten naar het oordeel van het college onvoldoende ten gunste komen aan huishoudens met lage- en middeninkomens;
de activiteiten overwegend gericht zijn op productontwikkeling zonder dat deze gericht zijn op het verbeteren van de ketensamenwerking of het versterken van het sociale fundament;
voor dezelfde activiteiten ondersteuning verleend kan worden op basis van een andere regeling van de gemeente Amsterdam;
de activiteiten overwegend een belang met een commercieel karakter dienen zonder dat deze gericht zijn op het verbeteren van de ketensamenwerking of het versterken van het sociale fundament;
het potentiele resultaat dat met de uitvoering van de subsidie wordt beoogd naar het oordeel van het college niet in verhouding staat tot de gevraagde bijdrage.
het op grond van artikel 2.1 aan deze aanvrager, totale verleende subsidiebedrag, na verlening van het aangevraagde subsidiebedrag, het maximum van €100.000,- zou overschrijden;
het plan voor kennisdeling tijdens en na de activiteiten onvoldoende uitgewerkt is of niet verrijkend genoeg is;
wanneer op voorhand duidelijk is dat de risico’s die gepaard gaan met de subsidiabele activiteiten een reële belemmering vormen om vervolg te geven aan de activiteiten;
de aanvrager een aanvraag doet namens of in het belang van een doelgroep, zonder dat de aanvrager kan aantonen dat:
de doelgroep is betrokken bij de subsidieaanvraag of
de aanvraag het belang van de doelgroep dient;
een weigeringsgrond uit artikel 8, tweede lid van de ASA2023 of 4:35 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.