De bevoegdheid van de burgemeester om in geval van de aanwezigheid van drugs of voorwerpen of stoffen die duidelijk bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, op te treden is opgenomen in artikel 13b van de Opiumwet. Dit artikel luidt:
De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3o, of artikel 11a voorhan-den is.
Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheel-kunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dieren-artsen.
Toelichting
Daartoe aanwezig
Volgens de vaste lijn van de jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State[3] volgt uit de woorden ‘daartoe aanwezig’ in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid (er is sprake van beroeps- of bedrijfsmatig handelen) drugs aan de burgemeester de bevoegdheid geeft tot toepassing ervan. Het is dus niet noodzakelijk dat de drugs daadwerkelijk worden verhandeld.
Om te bepalen wanneer sprake is van een ‘handelshoeveelheid’ wordt aangesloten bij de ’Aanwij-zing Opiumwet’ van het Openbaar Ministerie (OM). Bij een overschrijding van de hoeveelheid drugs dat bestemd is voor eigen gebruik, wordt aangenomen dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezig zijn. Door de aanwezigheid van een handelshoe-veelheid drugs, wordt de aantasting van de openbare orde zonder meer aangenomen[4]. De openbare orde verstoring in de vorm van drugsgerelateerde overlast in de omgeving hoeft niet door middel van feiten en omstandigheden te worden aangetoond die aannemelijk maken dat drugs ‘daartoe aanwezig’ zijn.
Volgens de laatste jurisprudentie[5] verbindt de bestuursrechter daaraan wel de voorwaarde dat de hoeveelheid zodanig groot moet zijn dat het vrijwel is uitgesloten dat deze voor eigen gebruik bestemd is. Het is aan de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken
(= omgekeerde bewijslast).
Wanneer de hoeveelheden aangetroffen drugs niet meer bedragen dan voor een gebruiker gebruikelijke doses, ligt het op de weg van de burgemeester om met feiten en omstandigheden aannemelijk te maken om de conclusie te ondersteunen dat de aangetroffen drugs niet voor eigen gebruik bestemd zijn, maar voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
Strafrecht en bestuursrecht in de Opiumwet
De Opiumwet biedt niet alleen een basis voor het bestuursrechtelijk optreden, maar ook voor het strafrechtelijk optreden van het OM. De Opiumwet stelt immers de in-en uitvoer van drugs, de vervaardiging, de verkoop, het bezit en het vervoer van drugs strafbaar. De strafrechtelijke kant van de Opiumwet richt zich op de bij verkoop betrokken personen, de verdachten. Het OM heeft niet de mogelijkheid om te beletten dat een lokaal of woning wordt gebruikt voor drugshandel. De burge-meester heeft deze bevoegdheid wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Bij de aanpak van de drugshandel kunnen naast strafrechtelijke maatregelen ook bestuursrechtelijke maatregelen worden ingezet (tweesporenbeleid). Tussen het strafrechtelijk optreden en het effec-tueren van de bestuursrechtelijke maatregelen kan enige tijd zitten, waarbij de eisen van zorgvuldig-heid bij het toepassen van het bestuursrechtelijke spoor in acht moeten worden genomen. Bestuurs-rechtelijk optreden door de burgemeester op basis van de Opiumwet veronderstelt vrijwel altijd samenwerking met de politie. De burgemeester is afhankelijk van de informatie uit het opsporings-onderzoek, vastgesteld in een zgn. hennepinformatiebericht of bestuurlijke rapportage van de politie. Deze informatie kan worden aangevuld met een rapportage van de gemeentelijke toezicht-houder.
Als door de duur van de procedure geruime tijd is verstreken sinds de ontdekking van de drugs, hoeft dat geen aanleiding te zijn om te concluderen dat de belangenafweging tot een minder ver-gaande maatregel moet leiden. De bevoegdheid van het OM tot strafrechtelijk optreden blijft bestaan, ongeacht of er bestuursrechtelijk optreden door de burgemeester volgt. Dat geldt ook andersom; als het OM niet strafrechtelijk optreedt, blijft de burgemeester bevoegd bestuursrechte-lijk op te treden[6].
[3] ECLI:NL:2013:2362, ECLI:NL:RVS2014:2562, ECLI:NL:2015:130
[4] ECLI:NL:RVS:2013:BZ8430, ECLI:RVS:2014:2562, ECLI:RVS:2016:185
[5] ECLI:NL:RVS:2018:738
[6] ECLI:NL:RVS:2014:2859
Artikel 2. Juridisch kader