Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 7.

Artikel 7.2.2.

Aanvullende eisen horizontale ligging

Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Meierijstad als nadere regel ter uitwerking van de AVOI

Werkzaamheden aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen moeten zoveel mogelijk vermeden worden. Hiermee moet bij de engineering terdege rekening gehouden worden en waar mogelijk moeten bij voorkeur alternatieve routes gekozen worden. Is het werken aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen toch onvermijdelijk dan moet er eerst overleg met de coördinator gevoerd worden. Voorafgaand aan de engineering kan door de grondroerder de (digitale) bomenkaart worden geraadpleegd. Als zich in het tracé (monumentale) bomen bevinden kunnen die (inclusief de kroonprojectie) op de instemmings- of vergunningstekening weergegeven worden. Wegkruisingen die door middel van een persing (of gestuurde boring) worden gerealiseerd moeten buiten de kroonprojectie van een boom gesitueerd worden, tenzij anders wordt overeengekomen met de coördinator en/of toezichthouder. Bij wegen met gescheiden rijbanen en/of fietspaden met tussenliggende groenstroken moet bij de realisatie van een wegkruising de mantelbuis (zo mogelijk) uit een lengte bestaan. De mantelbuis mag alleen worden aangebracht buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten van wegen, niet in de kruisingsvlakken van wegen. 5. Als het onvermijdelijk is dat er in de nabijheid van bomen en/of andere groenvoorzieningen moet worden gewerkt, moet de grondroerder er rekening mee houden dat er een aantal voorzorgsmaatregelen getroffen moet worden (Hoofdstuk 9) die schade aan de betreffende boom, groenvoorziening en aan de te leggen kabel en/of leiding voorkomt. Als de afstand tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.2.1, derde lid, moeten er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast worden of er moeten (gestuurde) boringen worden gemaakt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel