Te ontgraven grond, zand, half verharding (grind en dergelijke), teelaarde, funderingsmateriaal enzovoort moet gescheiden ontgraven, vervoerd en/of in depot gezet of aangevuld worden. Het opbreken van een waterdoorlatende verharding en -fundering opbouw, bufferings- en infiltratievoorziening (bv. Wadi constructie) of fundering die is opgebouwd uit IBC-bouwstoffen vereist vaak een speciale werkwijze die afgestemd moet worden met de coördinator en/of toezichthouder. De aanwijzingen van de coördinator en/of toezichthouder moeten altijd opgevolgd worden.
Bij het graven van sleuven moet het talud aangepast zijn aan de sleufdiepte, de eventuele bemaling en de grondsoort, zodat de sleufwanden niet kunnen instorten en/of uitzakken. Zo nodig moet de sleufwand met schotten worden gestut.
Alle werkzaamheden moeten bij voorkeur in een droge sleuf plaats vinden. Nadat de kabels en/of leidingen gelegd zijn moet de sleuf worden aangevuld en verdicht. Om de profielopbouw van de ondergrond zo optimaal mogelijk te herstellen moet het uitgegraven materiaal, vrij van stenen en dergelijke, over de volle breedte van de sleuf laagsgewijs en met zorg in de juiste volgorde terug in de sleuf worden gebracht. De dikten van grond-, fundering- en zandlaag en/of de laag teelaarde moeten gelijk zijn aan de aanwezige laagdikten.
Bermen en groenstroken moeten met voldoende overhoogte aangevuld worden. Bevroren grond en/of zand, sneeuw, (groen)afval en puin mag niet worden verwerkt in de aanvulling. De grondroerder levert zelf zand of grond bij een tekort daaraan of zorgt voor afvoer van zand of grond indien er materiaal overblijft.
Daar waar open verharding aanwezig is moet het aanwezige zandbed direct onder de verharding, de straatlaag, hersteld worden. Als herstel van de verharding in oude staat technisch gezien niet mogelijk is doordat te weinig (minder dan 0,05 m) straatzand beschikbaar is, zal de grondroerder het tekortkomende zand leveren en aanbrengen.
Om de juiste verdichtingsgraad te verkrijgen moet de aanvulling worden uitgevoerd in lagen van maximaal 0,25 m waarbij elke laag, bij voorkeur met een mechanisch verdichtingsapparaat, moet worden verdicht.
De sondeerwaarde van de aanvullingen onder verhardingen en in wegbermen moet na verdichting minstens 90% bedragen van de sondeerwaarde, zoals deze voorafgaand aan de werkzaamheden op - of op korte afstand naast - de sleuf wordt aangetroffen, de referentiewaarde.
Onder verhardingen moet in het algemeen gestreefd worden naar een minimale sondeerwaarde van 4 MPa echter, de referentiewaarde is bepalend voor de (conform het zevende lid) te behalen sondeerwaarde in de sleuf.
Aanvullingen in beplantingsvakken of onder gazon op een diepte van minder dan 0,80 m mag na verdichting een sondeerwaarde hebben van maximaal 1,5 MPa. De laag met teelaarde moet niet mechanisch worden verdicht.
De controle op het aanvullen en verdichten van de sleuven moet plaats vinden door of namens de grondroerder. De grondroerder moet de referentiewaarden en de gemeten sondeerwaarden vast leggen. De metingen moeten verricht worden met een (hand)sondeerapparaat of met een nucleaire verdichtingsmeter (of eventueel door middel van de proctorproef). Als de coördinator en/of toezichthouder hierom vraagt moet de grondroerder de meetgegevens overleggen. Op aanwijzing van de coördinator en/of toezichthouder moet de grondroerder steekproeven uitvoeren. De coördinator en/of toezichthouder kan ook zelf steekproeven uitvoeren.
Als de verdichting niet gehaald kan worden moet de grondroerder contact opnemen met de toezichthouder en de (weg)afzetting laten staan. Als de oorzaak van slechte verdichtingsresultaten is, dat de uitgekomen grond niet voor aanvulling/verdichting geschikt is moet deze afgevoerd worden. De grondroerder moet dan nieuwe voor aanvulling benodigde grond en/of zand op het werk leveren en opnieuw verwerken. Daarna vindt wederom een controle door de coördinator en/of toezichthouder plaats.
Hoofdstuk › Paragraaf 8.
Artikel 8.6.
Graaf- en grondwerkzaamheden
Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Meierijstad als nadere regel ter uitwerking van de AVOI