Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 9.

Artikel 9.2.

Werken nabij bomen (tevens rooi en herplant)

Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Meierijstad als nadere regel ter uitwerking van de AVOI

Bij het passeren van bomen moeten door de grondroerder voorzorgsmaatregelen worden getroffen die schade aan de betreffende boom voorkomt. De maatregelen en aanwijzingen zijn (onder andere) aangegeven op de Bomen poster (Hoofdstuk 10, bijlage 10.2). Informatie over bomen die kapvergunning plichtig zijn, kan worden opgevraagd bij de contactpersoon. Zie voor het telefoonnummer het addendum van dit handboek (Hoofdstuk 10, bijlage 10.3). Wanneer er toch een boom wordt beschadigd moet dit direct gemeld worden bij de coördinator en/of toezichthouder. Als de afstand van te leggen kabels en/of leidingen tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.2.1, vierde lid, moeten er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast worden of er moeten (gestuurde) boringen worden gemaakt. In het wortelgestel van bomen mag slechts bij hoge uitzondering worden gegraven en in dat geval alleen handmatig, dit is echter alleen toegestaan met goedkeuring van de coördinator en/of toezichthouder. Wortels dikker dan 0,025 m in diameter mogen nooit worden verwijderd of beschadigd. Wortels kleiner dan 0,025 m in diameter mogen verwijderd worden door middel van zagen zonder de wortels te breken of eraan te trekken. Ontgraven wortels moeten worden beschermd tegen uitdrogen, vorst en andere beschadigingen. Als ten gevolge van de werkzaamheden een boom zoveel schade oploopt dat deze gerooid moet worden moet de grondroerder dit direct melden bij de coördinator en/of toezichthouder. Er moet dan (indien vereist) alsnog een omgevingsvergunning kap aangevraagd worden. Het planten van nieuwe bomen wordt verzorgd door de gemeente. Als de grondroerder toestemming krijgt van de gemeente om een boom te rooien moet de grondroerder tevens de stobben verwijderen en afvoeren en het ontstane gat laagsgewijs met grond aanvullen en verdichten. Ten slotte moet er een laag teelaarde worden aangebracht. De grond moet op een zodanige wijze worden afgewerkt dat er na inklinking sprake is van een vlakke overgang naar de ongeroerde grond. Reservering voor inklinking mag max. 0,10 m bedragen. In overleg met de coördinator en/of toezichthouder moet het eventuele inzaaien geschieden conform artikel 8.4, vijfde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel