Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 26

Uittreding

Onderdeel van Gemeenschappelijke Regeling werkorganisatie HLTsamen

1.. Iedere deelnemer kan besluiten tot uittreding uit deze regeling. Het daartoe strekkende besluit wordt terstond toegezonden aan het bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het bestuur het betreffende besluit heeft ontvangen. 2.. Het bestuur zendt het besluit tot uittreding van een deelnemer aan de overige colleges. 3.. Uittreding geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht wordt genomen. 4.. Na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde besluit, komen de uittredende deelnemer en het bestuur, uiterlijk 6 maanden voor de datum van uittreding, een concept-uittredingsregeling overeen. De concept-uittredingsregeling wordt door de deelnemers vastgesteld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op reële en evenwichtige wijze worden afgewogen. 5.. In de concept-uittredingsregeling worden de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor het vermogen, van de uittreding geïnventariseerd, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de uittreedsom en de overname van personeel en/of overige verplichtingen door de uittredende deelnemer. 6.. Indien blijkt dat, als gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken vakbonden noodzakelijk is ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan, wordt de conclusie van dit overleg opgenomen in de concept-uittredingsregeling. 7.. Indien het bestuur constateert dat het besluit tot uittreding de vraag oproept of continuering van de samenwerking in de gemeenschappelijke regeling HLTsamen redelijkerwijs nog wel mogelijk is, doet zij de deelnemers een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling HLTsamen als bedoeld in artikel 27. 8.. Het bestuur en de uittredende deelnemer zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor de werkorganisatie en de uittredende deelnemer zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door personeel of andere verplichtingen over te nemen of anderszins in stand te doen houden. 9. . Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende deelnemer de reële schade van de werkorganisatie én de overblijvende deelnemers dient te vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het uittreden uit de gemeenschappelijke regeling. Daarbij wordt bij het bepalen van de hoogte van de schade in beginsel een afbouwperiode van 5 jaar gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding. 10. . De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in het negende lid wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen. Daarbij moet vaststaan dat deze verplichtingen zich zullen voor doen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende deelnemer naar rato wordt vastgesteld. 11. . De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in het negende lid genoemde afbouwperiode, waarbij geen verrekening van het vermogen plaatsvindt. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van de deelnemer. Daaronder worden in ieder geval begrepen de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten boventallig primair personeel, kosten opstellen sociaal plan, kosten boventallig decentrale personele overhead en kosten afwaardering activa. De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende deelnemer. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in personele en materiele sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding gedurende de in het negende lid genoemde afbouwperiode. De desintegratiekosten die direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende deelnemer voor de duur van maximaal 5 jaar. Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, zoals investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel komen naar rato van de door de deelnemers overeengekomen kostenverdeelsleutel voor rekening van de uittredende deelnemer. 12. . De frictiekosten en desintegratiekosten worden door de accountant van de werkorganisatie bepaald aan de hand van de jaarrekeningen over de afgelopen 3 jaar voorafgaand aan de datum van uittreding. De beoordeling van de kosten van uittreden wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. 13. . Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom vragen de uittredende deelnemer en het bestuur gezamenlijk om een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende deelnemer. 14. . Het bestuur stelt de concept-uittredingsregeling vast en stuurt deze aan de colleges ter besluitvorming. De uittredingsregeling is vastgesteld indien tenminste twee derde van het aantal deelnemers hiertoe besluit. 15. . Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 16. . De uittreedsom dient binnen een termijn van zes maanden nadat de uittredingsregeling is vastgesteld als bedoeld in het veertiende lid door de uittredende deelnemer te zijn voldaan, tenzij deelnemers anders overeenkomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel