Aan een vergunning als bedoeld in artikel 22 van de Wet worden de volgende voorwaarden verbonden:
De voorwaarde dat de vergunning pas gebruikt mag worden als zij onherroepelijk is geworden;
De voorwaarde dat van de vergunning ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Verordening binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden ervan gebruikt moet worden gemaakt.
Hoofdstuk 3.
Artikel 12.