4.1.1.Kabel- en leidingstroken
Ten behoeve van het leggen van kabels en leidingen wijst de gemeente een kabel- en leidingenstrook aan. Voor kabel- en leidingstroken in nieuwbouwsituaties is het door de gemeente Gulpen-Wittem gehanteerde sleufprofiel, het zogenaamde Synfra sleufprofiel, van toepassing. Het zogenaamde Synfra sleufprofiel is bijgevoegd onder bijlage 1.
De kabel- en leidingstroken moeten in principe vrij toegankelijk zijn voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van de kabels en leidingen. Dit houdt onder meer in dat:
kabel- en leidingstroken vrij zijn van boven- en ondergrondse obstakels;
kabel- en leidingstroken niet worden voorzien van een gesloten verharding met uitzondering van kruisingen met wegen;
kabel- en leidingstroken niet gelegen zijn in rijwegen en bij voorkeur niet onder parkeerstroken;
kabel- en leidingstroken, bij voorkeur, niet gelegen zijn onder sierbestrating;
in of direct nabij de kabel- en leidingstrook mogen geen bomen worden geplant;
kabel- en leidingstroken worden gesitueerd in een tracé waarop geen fundering is c.q. wordt aangebracht;
de kabel- en leidingstroken zijn gelegen in openbare gronden.
De minimale diepte van kabels en/of leidingen is 60 cm, gemeten van bovenkant maaiveld en/of bestrating tot onderkant kabel en/of leiding.
In de nabijheid van parkeerkelders dienen de kabel- en leidingstroken minimaal op 2,50 meter afstand van deze parkeerkelders te worden geprojecteerd.
De opdrachtgever van het plan (gemeente of projectontwikkelaar) verstrekt van het bouwplan c.q. de reconstructie een gedetailleerd matenplan. Dit matenplan is inclusief hoogtematen ten opzichte van NAP en heeft een relatie naar de meetpunten waaruit ondermeer de begrenzing van het tracé en de percelen ten opzichte van de meetpunten en dergelijke blijken.
De opdrachtgever van het plan (gemeente of projectontwikkelaar) is verantwoordelijk voor het doorgeven van wijzigingen aan de netwerkbedrijven. Indien de aangeleverde maatvoering bij oplevering niet juist blijkt te zijn, dan zullen de kabels en leidingen op kosten van de opdrachtgever worden verlegd.
De opdrachtgever van het plan (gemeente of projectontwikkelaar) verzorgt eenmalig een hoogtepeilmerk met hoogte ten opzichte van NAP in de directe omgeving van het werk en verzorgt eenmalig het uitzetten van de assen.
Bij nieuwbouwplannen c.q. reconstructies moet in verband met het aanbrengen van appendages in de kabels en leidingen het maaiveld van de kabel- en leidingenstrook op nagenoeg de definitieve hoogte worden aangebracht. Is dit niet mogelijk dan moeten de appendages worden beschermd tegen beschadiging door bouwverkeer en dergelijke.
Bij werkzaamheden aan kabels en leidingen in bestaande situaties wordt het tracé van de kabels en/of de leidingen in overleg met de gemeente bepaald.
Voor het bepalen van de locatie van transformatoren en andere bovengrondse voorzieningen moet de gemeente goedkeuring geven.
4.1.2.Kruisingen
Bij kruisingen met al aanwezige kabels en/of leidingen of bij aanraking van kunstwerken, gebouwen en dergelijke dient de instemminghouder met de eigenaar of beheerder van de aanwezige kabels, leidingen, kunstwerken, gebouwen en dergelijke overeengekomen voorzieningen worden getroffen. De door partijen overeengekomen te treffen voorzieningen komen ten laste van instemminghouder.
Kruisingen met gefundeerde verhardingen moeten door middel van boringen of persingen worden uitgevoerd. Als een boring niet mogelijk is, dient er contact te worden opgenomen met de gemeente door de instemminghouder.
Boringen of persingen moeten loodrecht op de wegas, tot minimaal 1 meter buiten de kant van de verharding en met een minimale dekking van 0,8 meter tot de bovenkant van de verharding, worden gerealiseerd. Dit met een minimale verhouding van 1:1 van zijkant verharding tot uiteinde boring/persing.
Indien de ruimte buiten de kant van de verharding niet voldoende is om het netwerk aan te leggen en daarom wordt voorgesteld de boring c.q. persing tot 0,6 meter buiten kant van de verharding te realiseren, dient dit bij de instemmingaanvraag c.q. de melding gemotiveerd te worden aangegeven en zal de gemeente Gulpen-Wittem dit verzoek honoreren mits het een redelijk verzoek is.
Een raketboring met een diameter groter dan 63 mm dient met een zogenaamde voorlopende buis te worden uitgevoerd.
Bij raketboringen zonder voorlopende buis, een raket toepassen, met een diameter direct volgend op de door te voeren leiding. Holle ruimten tussen de nieuwe leiding en het boorgat dienen zoveel mogelijk vermeden te worden.
Bij boringen/persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De minimale verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen (waaronder ook riolen) bedraagt ten minste 0,30 m. Genoemde minimale verticale dagmaat dient aantoonbaar te worden gegarandeerd om afwijkingen tijdens de uitvoering op te vangen.
bij het kruisen van riolen door middel van boringen c.q. persingen, dient na uitvoering van de boring/persing een camerainspectie van de desbetreffende rioolstreng te worden uitgevoerd om aan te tonen dat het riool niet beschadigd is. Dit is niet van toepassing voor de riool-huisaansluitingen;
een camerainspectie is niet nodig, indien de afstand:
bij een kruising boven het riool, tussen bovenzijde riool en onderzijde boorbuis én
bij een kruising onder het riool, tussen onderzijde riool en bovenzijde boorbuis 0,75 m1 is.
Als gebruik wordt gemaakt van deze optie dient:
bij de instemmingsaanvraag of de melding de hoogte van de binnen onderkant buis (b.o.b.) en de diameter van de rioolbuis en de hoogte b.o.b. en diameter van de boorbuis te worden aangegeven;
bij oplevering de opgemeten b.o.b. van de 2 uiteinden van de boorbuis te worden ingeleverd.
bij het kruisen van sloten/open watergangen dient een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte van de bodem van de watergang te worden aangehouden. Als het waterschap de beheerder van de betreffende sloten/open watergangen is dienen de eisen van het waterschap te worden gevolgd.
indien de aanwezige bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte dient een gronddekking van 2,00 m ten opzichte van de aanwezige bodem te worden aangehouden;
Indien kabels en/of leidingen geprojecteerd zijn onder waterbodems en dergelijke dan kan de gemeente- in goed overleg met de instemminghouder - en afhankelijk van de plaatselijke situatie, nadere voorwaarden stellen.
4.1.3.Bodemverontreiniging
zie evt. hoofdstuk 8.
4.1.4.Groenvoorzieningen
Werkzaamheden aan- of bij groenvoorzieningen en bomen worden zoveel mogelijk vermeden. Is dit toch onvermijdelijk dan wordt eerst overleg met de kabel- en leidingcoördinator van de afdeling Beheer en Onderhoud gevoerd, ongeacht er sprake is van een verlegging in een nieuw- of een bestaand tracé.
Bij het passeren van bomen moeten een aantal, in dit handboek omschreven, voorzorgsmaatregelen worden getroffen die schade aan de betreffende boom en later aan de te leggen kabel/leiding voorkomt. Hiermede moet bij het traceren terdege rekening gehouden te worden en waar mogelijk zullen bij voorkeur alternatieve routes worden gekozen.
4.1.5.Ligging nabij andere objecten
Objecten die kunnen worden beïnvloed door de tracering en aanleg van leidingen dienen vooraf door de aanvrager te worden geïdentificeerd. Objecten kunnen onder meer zijn: bestaande wegen, spoorwegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, tunnels, naastliggende leidingen, bomen en gebouwen.
4.1.6.Ketenprincipe
In een tracé kunnen secties voorkomen waarvoor door derden toestemming en/of instemming moet worden verleend. Deze secties kunnen onder meer zijn: kruisingen van spoor- rijks- en provinciale wegen, kruisingen van waterwegen of kruisingen van particuliere eigendommen.
De gemeente zal pas overgaan tot afhandeling van de instemmingaanvraag als deze compleet is, waaronder ook te verstaan dat alle door betreffende derde belanghebbenden schriftelijk toestemming en/of instemming is verleend en deze instemming is verstrekt aan de gemeente.
Als de instemmingaanvrager hier van af wil wijken, in verband met de voortgang van een project, zal de instemmingverlener dit verzoek honoreren mits het verzoek gefundeerd wordt gemotiveerd in de instemmingaanvraag en het verzoek als redelijk wordt beoordeeld door de instemmingverlener.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.1.
Bepalingen ten aanzien van de tracebepaling
Onderdeel van Handboek Kabels & Leidingen