Naar hoofdinhoud
1.. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat: voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. voor zover een cliënt, in volgorde van belangrijkheid, op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen. voor zover een cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen. indien de voorziening voor een persoon als cliënt als algemeen gebruikelijk te beschouwen is. indien het een voorziening betreft die een cliënt voor de melding dan wel aanvraag van een maatwerkvoorziening als bedoeld in de artikelen 3 en 8 van deze verordening heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of het college de noodzaak achteraf nog kan vaststellen. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan een cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is. Uitzonderingen op bovengenoemde regel zijn: de eerder vergoede of verstrekte voorziening is verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan cliënt zijn toe te rekenen. de eerder vergoede of verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven. de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht. indien een cliënt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond. de gevraagde maatwerkvoorziening niet als goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt. indien er geen sprake is van beperkingen in het kader van zelfredzaamheid of participatie. indien deze niet langdurig noodzakelijk is. indien deze een anti revaliderend effect heeft op het functioneren van de cliënt. indien een cliënt niet in staat is om op verantwoorde wijze gebruik te maken van een maatwerkvoorziening. 2.. Het college verstrekt geen individuele maatwerkvoorziening voor vervoer in natura of in de vorm van een pgb tenzij de beperkingen van de cliënt, chronische psychische problemen of psychosociale problemen, het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is, dan wel dat de omstandigheden van cliënt het anderszins maken dat het collectieve vervoer niet compenserend is. 3.. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening gericht op wonen bestaat: voor zover er geen sprake is van beperkingen in het normale gebruik van de woning waar een cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. voor zover de beperkingen in de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. indien de cliënt woont in of verhuisd naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden. indien het woonruimten betreft die niet als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de Huurtoeslag aangemerkt worden. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, tenzij deze betrekking hebben op het normale gebruik van de woning waarbij het gaat om: automatische deuropeners hellingbanen het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschap- pelijke ruimte Een uitzondering op deze bepaling is mogelijk wanneer het een maatwerkvoorziening voor ondersteuning gericht op verhuizen betreft. indien de noodzaak tot het treffen van de voorziening het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is. indien een cliënt niet is verhuisd naar de in relatie tot zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. voor zover de woonvoorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. indien de noodzaak tot het treffen van een woningaanpassing het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan woning mogen worden gesteld. indien zonder (voorafgaande) toestemming van het college wordt afgeweken van het programma van eisen dan wel van de werkzaamheden zoals omschreven in de aan het college overlegde bouwtekening.

Rechtspraak bij dit artikel