Artikel 2 lid 2 sub f van de Verordening luidt dat geen voorziening wordt verstrekt voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan het moment van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of deze voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst compenserend aan te merken valt.
Niet eerder dan nadat de uitvoeringsorganisatie een beslissing over de aanvraag voor een voorziening heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de realisatie van de werkzaamheden of mag een voorziening worden aangeschaft. Pas op dat moment heeft de uitvoeringsorganisatie alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorzieningen. Indien voorzieningen al zijn aangeschaft of zijn gerealiseerd, is een zinvolle beoordeling van de oorspronkelijke situatie onmogelijk. Bovendien heeft de uitvoeringsorganisatie geen invloed kunnen uitoefenen op de gekozen materialen.
Door deze bepaling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. De uitvoeringsorganisatie kan bovendien ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de belanghebbende gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.3.7