Naar hoofdinhoud
Op basis van jurisprudentie dienen (combinaties van) vervoersvoorzieningen (en eventueel rolstoelvoorzieningen) minimaal de mogelijkheid te bieden aan de belanghebbende om 1500 tot 2000 kilometer te kunnen reizen. Indien er sprake is van een intensieve vervoersbehoefte kan de uitvoeringsorganisatie hierop een uitzondering maken en het aantal kilometers ophogen. Met de individuele taxikostenvergoeding en rolstoeltaxikostenvergoeding is de bandbreedte zoals is vastgesteld in jurisprudentie niet haalbaar. Met beide vergoedingen is vervoer over circa 750 km mogelijk. Echter het minimaal haalbare aantal kilometers mag gezien worden in combinatie met het vervoer of verplaatsen met overige voorzieningen, zoals een scootermobiel, een aangepaste fiets, een handbike of een elektrische rolstoel. Deze voorzieningen worden verstrekt voor de verplaatsingen die personen zonder beperkingen normaal gesproken lopend en met de fiets doen. Bij de verstrekking van een dergelijke voorziening wordt door de uitvoeringsorganisatie er vanuit gegaan dat deze minimaal een vervoersbehoefte van 15 km per week dekt. Dit komt neer op 780 km per jaar. Dit betekent dat iemand die naast een (rolstoel)taxikostenvergoeding een scootermobiel, een aangepaste fiets, een handbike of een elektrische rolstoel heeft, de mogelijkheid heeft om meer dan 1500 kilometer te reizen. Een belanghebbende die geen scootermobiel, aangepaste fiets, handbike of elektrische rolstoel heeft naast een individuele (rolstoel)taxikostenvergoeding en verstrekking van een dergelijke voorziening ook geen oplossing is, zou slechts circa 750 kilometer kunnen reizen met de geboden voorziening. Na een uitgebreide inventarisatie van de gewenste vervoersbehoefte binnen vijf openbaarvervoerszones kan bij hoge uitzondering tot maximaal een dubbele (rolstoel)taxikostenvergoeding worden verstrekt.

Rechtspraak bij dit artikel