Het criterium om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget voor de aanschaf en het onderhoud van een sportvoorziening, is de vaststelling dat de belanghebbende zonder sportvoorziening zijn sport niet kan beoefenen. Dit onderscheidt een sportvoorziening met spelvoorzieningen. Een sportvoorziening dient gericht te zijn op het individu. Dit betekent dat uitsluitend de belanghebbende er gebruik van moet maken. Een bal met geluid voor blindenvoetbal valt derhalve niet onder de sportvoorziening, aangezien meerdere personen hier bij de sport gebruik van maken.
Een sportvoorziening wordt uitsluitend verstrekt indien de belanghebbende lid is van een gehandicaptensportvereniging.
Sportvoorzieningen kunnen zijn:
marathon- of sprintrolstoel;
de basketbalrolstoel;
tennisrolstoel;
dansrolstoel;
zitski;
aangepaste racefiets/racetandem;
aangepast paardrijdzadel.
Sportvoorzieningen zijn over het algemeen niet bruikbaar in de gewone leefsituatie.
Voor sportvoorzieningen wordt uitsluitend een persoonsgebonden budget in de kosten van aanschaf en onderhoud gegeven voor een periode van drie jaar. Dit is inclusief kosten voor aanpassing, onderhoud en reparatie. Voor de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt verwezen naar artikel 22 lid 2 van het Besluit.
Het bedrag wordt beschikbaar gesteld aan de budgethouder. Binnen 3 maanden na toekenning dient de verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan de uitvoeringsorganisatie plaats te vinden. De uitvoeringsorganisatie behoudt het recht om de voorziening te controleren.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.3.1