Naar hoofdinhoud
Internationale klimaatafspraken Nederland heeft zich verbonden aan verschillende internationale klimaat-afspraken. Zoals het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties uit 1992 (het allereerste klimaatverdrag) en het KyotoProtocol uit 1997, waarin staat dat de emissiereducties van land tot land verschillen en onderling verhandeld kunnen worden. In 2015 was er een VN-klimaattop in Parijs: de Conference of Parties (COP21). Nederland heeft daar ingestemd met een nieuw VN-klimaatakkoord. Het akkoord heeft als doel: de opwarming van de aarde beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Klimaatwet: streefdoel is 49% reductie CO2 in 2030 In mei 2019 is ook door de Eerste Kamer de Klimaatwet aangenomen. De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent ons land de CO2-uitstoot moet terugdringen. Dat is streven naar 95% minder CO2 uitstoot in 2050 en als tussenstation 49% in 2030. De wet moet burgers en bedrijven zekerheid geven over de klimaatdoelen, met andere woorden: het is een wettelijke taak om er werk van te maken. Klimaatakkoord In juni 2019 is het concept Klimaatakkoord gepresenteerd. Het Klimaatakkoord is een pakket aan maatregelen, met een zo breed mogelijk maatschappelijk draagvlak, dat de actieve steun heeft van zoveel mogelijk bijdragende partijen en waarmee het reductiedoel van 49% minder broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990. Het Klimaatakkoord gaat over maatregelen die we de komende jaren nemen om dit doel te halen. We doen dit om klimaatverandering tegen te gaan zoals Nederland heeft afgesproken in het klimaatverdrag van Parijs. Een belangrijke maatregel is bijvoorbeeld het stoppen van de elektriciteitsproductie met kolen in 2030. Dit vraagt om alternatieve duurzame opwekking van elektriciteit. Het Klimaatakkoord is een cruciale bouwsteen voor het klimaatbeleid. Het kabinet legt het klimaatbeleid voor een periode van tien jaar vast in een zogeheten Klimaatplan. Jaarlijks rapporteert het kabinet over de voorgang van het beleid. Waar nodig wordt het beleid op basis daarvan bijgesteld om de doelen te halen. Zonneladder als nationaal afwegingskader bij inpassing van zonne-energie Net voor de zomer van 2019 heeft de Tweede Kamer de motie Dik-Faber aangenomen. In deze motie is de regering gevraagd een zonneladder voor decentrale overheden op te stellen als antwoord op de maatschappelijke discussie over de impact van zonneparken op natuur- en landbouwgrond en het grote aantal daken dat tegelijkertijd onbenut blijft. Op 23 augustus 2019 heeft Minister Wiebes een antwoord 2 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/08/23/beantwoording-moties-dik-faber-over-een-zonneladder-als-nationaal-afwegingskader-bij-inpassing-van-zonne-energie gegeven op de motie. Het kabinet gaat uit van de volgende voorkeursvolgorde: De afwegingprincipes leiden tot een voorkeur voor zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen. Het inpassen op daken en gevels draagt niet alleen bij aan het combineren van functies. Omdat hier al sprake is van bebouwing zal het introduceren van zonnepanelen op deze plekken doorgaans minder invloed hebben op de kenmerken of identiteit van een gebied. Vanuit diezelfde principes hebben daarna onbenutte terreinen in bebouwd gebied de voorkeur. Om aan de gestelde energiedoelen te voldoen, kan blijken dat ook locaties in het landelijk gebied nodig zijn. Ook in dat geval gaat de voorkeur uit naar het zoeken van slimme functiecombinaties. Hoewel natuur- en landbouwgebieden daarbij niet volledig worden uitgesloten, ligt de voorkeur bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiveringsinstallaties, vuilnisbelten, binnenwateren of bermen van spoor- en autowegen. Deze voorkeursvolgorde houdt geen volgtijdelijkheid in. Na het verkennen van mogelijkheden voor het toepassen van zon-PV kan gestart worden met het gelijktijdig benutten van gekozen mogelijkheden. Het kabinet kiest ervoor om de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging bij het inpassen van zonneparken niet van de decentrale overheden over te gaan nemen. Het kabinet is van mening dat de ruimtelijke afweging van de decentrale invulling een taak is van de gemeenten en regio’s zelf. Zij wegen zelf af waar en op welke wijze de benodigde hernieuwbare elektriciteit op een zorgvuldige wijze en met oog voor het landschap, landbouwkundige en natuurwaarden kan worden ingepast. Vooruitlopend op de totstandkoming van de Regionale Energie Strategie kunnen gemeenten vergunningsaanvragen voor zonneparken op natuur- en landbouwgronden toetsen aan de voorkeursvolgorde, of een vergelijkbaar door de gemeente vastgesteld afwegingskader zoals voor u ligt. Stimuli voor zonnepanelen op daken In dezelfde motie als hiervoor besproken is de regering opgeroepen om ‘regelingen aan te passen die belemmerend werken, zodat daken beter kunnen worden benut voor het opwekken van zonne-energie’. Op dit moment gelden beperkte mogelijkheden om toepassing van zonnepanelen op daken af te dwingen. De minister van BZK geeft aan een wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in procedure te brengen waarmee gemeenten conform de motie meer mogelijkheden krijgen om het duurzaam gebruik van daken na de lokale afweging ook richting burgers en bedrijven af te dwingen. Het voornemen is om gemeenten in het Bbl de bevoegdheid te geven via een zogenoemde maatwerkregel in het omgevingsplan te eisen dat nieuwe gebouwen die niet al onder de voorgenomen BENG-eisen (Bijna energieneutrale Gebouwen) vallen, hun dak moeten gebruiken voor duurzame opwek van energie of klimaatadaptatie. De gemeente kan hierbij gebiedsgericht differentiëren. Voor nieuwe gebouwen gelden de BENG-eisen en verplicht tot een minimaal aandeel hernieuwbare energie. Ook voor bestaande gebouwen worden de mogelijkheden in het Bbl verruimd om zon op daken te stimuleren. Dit door een zogenaamd maatwerkvoorschrift, vertaald in een maatwerkbesluit per individueel geval, gemotiveerd door het bevoegd gezag. Rijksvastgoed Met de inzet van Rijksvastgoed (gebouwen en gronden) wil het Rijk een bijdrage leveren aan de ruimtevraag en daarmee aan het ontzien van landbouw- en natuurgronden. Het Rijk zoekt daarvoor naar slimme functiecombinaties tussen opwekking en de huidige functie van gebouwen en gronden.

Rechtspraak bij dit artikel