Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK

Artikel 19

Begroting

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Cocensus 2020

1.. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks, vóór 15 maart van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de raden een ontwerp aan voor de begroting met toelichting, dit inclusief een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren. Per deelnemer is een kostentoerekening opgenomen waarbij de jaarbijdrage toegerekend is naar de onderhavige taakvelden. 2.. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaar stelling geschiedt openbare kennisgeving. 3.. De raden beraadslagen over de ontwerpbegroting niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving. 4.. De raden kunnen vóór 1 juni bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Bij het voorstel van het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur voegt het dagelijks bestuur een reactienota, waarin gemotiveerd wordt aangegeven op welke wijze de zienswijze wel of niet is verwerkt in dit voorstel. 5.. Het algemeen bestuur stelt de begroting van Cocensus vast uiterlijk 1 juli voorafgaande aan het jaar waarvoor zij dient. 6.. Het algemeen bestuur stelt, als onderdeel van de begroting, jaarlijks de uitgangspunten voor de toerekening van de kosten aan de producten vast. 7.. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur, zo nodig, de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 8.. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten. 9.. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen. 10.. Het bepaalde in het eerste tot en met achtste lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. 11.. In afwijking van het bepaalde in het tiende lid, worden wijzigingen op de begroting tot 5% van de jaarlijkse totale exploitatiekosten niet voorgelegd aan de deelnemers; het bepaalde in het negende lid blijft op dergelijke wijzigingen van toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel