De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient
te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde
eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de
verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich
bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou
kunnen nemen.
In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de
waarde van een bedrijfsruimte, met uitzondering van
ruimten die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de
Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde
monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit
leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste
lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt
rekening gehouden met:
de aard en de bestemming van de ruimte;
de sedert de stichting van de ruimte opgetreden
technische en functionele veroudering waarbij de invloed
van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.
In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een
woonruimte dat deel uitmaakt van een op de voet van de
Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan
de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet
bedoelde voorwaarden bepaald met inachtneming van een
vooronderstelde verplichting om het landgoed gedurende
een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden
en geen opgaand hout te vellen anders dan volgens de
regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of
gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn aan de
woonruimte worden geacht deel uit te maken van die
woonruimte.
Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3,
aanhef en onderdeel d., wordt de waarde gesteld op een
evenredig deel van de waarde die dient te worden
toegekend aan de gehele ruimte.
Artikel 4
Maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van roerende woon- en bedrijfsruimten 2011