Naar hoofdinhoud
Voor degene op wie de zorgplicht van toepassing is geldt, in aanvulling op hetgeen is bepaald in de artikelen 13 en 27 van de Wet, het volgende: Een nieuwe bodemverontreiniging met PFAS dient zoveel mogelijk ongedaan te worden gemaakt, tot gehalten opgenomen in artikel 7 tweede lid, indien dat redelijkerwijs mogelijk is. Maatregelen om een nieuwe bodemverontreiniging met PFAS ongedaan te maken moeten worden beschreven in een plan van aanpak. Het plan van aanpak zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel moet, voordat wordt aangevangen met de maatregelen om de nieuwe bodemverontreiniging met PFAS ongedaan te maken, worden ingediend bij het College van B&W. Het College van B&W kan met betrekking tot de in het plan van aanpak beschreven maatregelen aanwijzingen geven in de zin van artikel 27 lid 2 van de Wet. Indien degene op wie de zorgplicht rust van oordeel is dat zo veel mogelijk ongedaanmaking van een nieuwe bodemverontreiniging met PFAS redelijkerwijs niet verlangd kan worden, dient in het plan van aanpak te worden onderbouwd waarom zo veel mogelijke ongedaanmaking om milieuhygiënische redenen niet noodzakelijk is, dan wel in technisch opzicht redelijkerwijs niet mogelijk is en om financiële redenen redelijkerwijs niet verwacht kan worden. Het beoordelingskader voor historische verontreinigingen zoals beschreven in artikel 7 dient bij deze onderbouwing als uitgangspunt genomen te worden. UITGANGSPUNTEN HISTORISCHE BODEMVERONTREINIGING MET PFAS

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel