Naar hoofdinhoud
De wet bepaalt onder meer dat het college verantwoordelijk is om jeugdhulp op een laagdrempelige en herkenbare manier aan te bieden en dat deze te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken is geboden. Daarvoor moet het college ook zorgen voor een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: gezond en veilig op te groeien; te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Toegang tot jeugdhulp Omdat de wet geen regels stelt over het indienen van een aanvraag, gelden de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat neemt niet weg dat het college bij een melding van een hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) op eenzelfde manier te werk kan gaan als bij een melding op grond van de Wmo 2015. Deze werkwijze bevordert de kwaliteit en zorgvuldigheid van de besluitvorming. De jeugdige en/of zijn ouder(s) met een behoefte aan jeugdhulp kunnen hun hulpvraag melden bij het college. In principe bestaat er dan recht op een onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) eerst zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. Uit de wet volgen de voorwaarden waaraan een goed onderzoek (na de melding van de hulpvraag) ten minste moet voldoen (CRVB:2017:1477). Na het verstrekken van het verslag met de onderzoeksresultaten kan de jeugdige en/of zijn een aanvraag indienen. Het onderzoek behoort tot de voorbereiding van het besluit (art. 3:2 van de Awb). Verordening De verordening is voor wat betreft de toegang tot jeugdhulp procedureel ingericht zodat het voor jeugdigen en ouders duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij zich hebben gemeld. De verordening bepaalt ook dat algemene voorzieningen vrij toegankelijk zijn en dat een verzoek om jeugdhulp ook kan verlopen via de wettelijke verwijzers, zonder tussenkomst van de gemeente. Jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen gebruik maken van cliëntondersteuning en van de diensten van een vertrouwenspersoon (art. 1.3 van de verordening). De verordening schrijft verder voor dat het college een verslag aan de jeugdige en zijn ouder(s) verstrekt met daarin de onderzoeksresultaten. Daaruit kan de jeugdige en/of zijn ouder(s) ook afleiden of hij in aanmerking komt voor jeugdhulp. Ook wordt de jeugdige en/of zijn ouder(s) in de gelegenheid gesteld zijn eigen persoonlijk plan of een familiegroepsplan in te dienen. Daaruit kan het college afleiden waarom de jeugdige en/of zijn ouder(s) van mening is dat hij (aanvullend) jeugdhulp van de gemeente nodig heeft. Verder heeft het college een voorlichtingsplicht. Die bestaat uit het informeren van de jeugdige en/of zijn ouder(s) onder welke voorwaarden hij in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget (pgb). Nadat het onderzoek is afgerond kan de jeugdige en/of zijn ouder(s) een aanvraag indienen. Daarvoor kan het verslag op voorgeschreven wijze worden gebruikt. Bij de beslissing op de aanvraag vormt het verslag en het eventueel ingediende persoonlijk plan van de jeugdige en/of zijn ouder(s) of het familiegroepsplan het uitgangspunt. Criteria verordening In de verordening is een beperkt aantal criteria vastgesteld. Die criteria verschillen naar gelang de aard van de jeugdhulp waarop de jeugdige en/of zijn ouder(s) is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de verordening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel