Naar hoofdinhoud
Het college is op grond van artikel 5.1 van de verordening bevoegd om onderzoeken in te stellen die betrekking hebben op de naleving van regels uit de wet, de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders. Deze onderzoeken hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als de kwaliteit van de geboden ondersteuning, tenzij de Inspectie Gezondsheidszorg en Jeugd daartoe bevoegd is. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van de inhoudelijke activiteiten met bijbehorende resultaatafspraken. De jeugdhulpaanbieder, budgethouder en/of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht om hun medewerking te verlenen aan de verantwoording hierover (art. 8.3 van de verordening). Afhankelijk van de uitkomsten van zo’n onderzoek (controle), zal het college daar gevolgen kunnen verbinden. Weigering pgb Artikel 5.5, eerste lid aanhef en onder a, van de verordening Er kunnen zich situaties voordoen waarin het college tot het oordeel komt dat er sprake is van een belangenstrengeling tussen de budgethouder en de derde aan wie het pgb wordt besteed. Daarvan is sprake als die derde ook degene is die de budgethouder helpt om de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren. Daarmee kunnen de aan het pgb verbonden taken door die derde beïnvloed worden. Wanneer de derde beroepshalve jeugdhulp biedt, dan gaat het college daarvan uit. De invloed van de derde op het zogeheten pgb-beheer is niet in lijn met het doel van het pgb en kan oneigenlijk gebruik van de wet in hand werken. Immers deze derde (een ZZP-er of ondersteuner in dienst bij een professionele organisatie) kan niet twee belangen dienen (vergelijk CRVB:2019:2803, RBGEL:2018:3911). Denk ook aan de situatie waarin de professionele organisatie in een bijvoorbeeld een andere BV activiteiten heeft ondergebracht gericht op bemiddeling. Het kan ook gaan om medewerkers die bij deze derde in dienst zijn of op een andere wijze aan de derde zijn verbonden (vergelijk CRVB:2019:2803). In het geval de derde een persoon betreft uit het sociaal netwerk (niet beroepshalve werkzaam) kan ook sprake zijn van een belangenverstrengeling. Maar deze personen zullen gelet op hun betrokkenheid bij de jeugdige voornamelijk diens belang dienen. Bij de beoordeling van de wettelijke voorwaarden onderzoekt het college of hier sprake van kan zijn (art. 8.1.1, tweede lid, van de wet). Artikel 5.5, eerste lid aanhef en onder b, van de verordening Als het college vaststelt dat er bij zowel de budgethouder als de derde sprake is van problematische schulden- en/of verslavingsproblematiek, dan weigert het college het pgb. Denk bijvoorbeeld aan een jeugdige met verslavingsproblematiek en de derde die kampt met problematische schulden. Daaronder valt ook het traject van de gemeentelijke schuldhulpverlening of Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). Er zijn ook andere voorbeelden denkbaar. Er wordt in de gevallen als bedoeld in de verordening een (te groot) risico gelopen dat het pgb oneigenlijk gebruik van de wet in hand werkt. Het college kan de derde laten verklaren dat er geen sprake is van een dergelijke problematiek. Voor zover het de jeugdige en/of zijn ouder(s) betreft zal het college een eventuele problematiek bij het onderzoek hebben vastgesteld. Opgemerkt wordt dat in het geval alleen bij de derde sprake is van problematische schulden- en/of verslavingsproblematiek het de vraag is of wel voldaan aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid aanhef en onder c, van de wet. Artikel 5.5, eerste lid aanhef en onder c, van de verordening Het spreekt voor zich dat het college het ingevulde Budgetplan met de jeugdige en zijn ouder(s) (budgethouder) wenst te bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend, dan wordt het pgb in principe geweigerd. Dat geldt ook als de budgethouder of diens wettelijk vertegenwoordiger een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. Het college zal de budgethouder dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger in ieder geval twee keer uitnodigen om een Budgetplan in te dienen dan wel het ingediende Budgetplan te bespreken. Artikel 5.5, tweede lid, van de verordening In de verordening worden een aantal situaties beschreven die kunnen leiden tot een weigering van het pgb. Niet ingestaan voor nakomen verplichtingen Als de derde aan wie de budgethouder het pgb wenst te besteden eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgb-verplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan: onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin, de situatie dat eerder is gebleken dat jeugdhulp is ingekocht van onvoldoende kwalitatief. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Inschrijving BRP Als de derde niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), roept dat de vraag op of de continuïteit van de aangewezen jeugdhulp wel kan worden geboden. De derde die niet staat ingeschreven in de BRP moet daar een afdoende verklaring voor geven. Rechtens zijn vrijheid ontnomen In die gevallen bestaat er feitelijk geen mogelijkheid voor de derde om ondersteuning te bieden. Gewaarborgde hulp De jeugdige of zijn ouder(s) kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp. Dat wil zeggen hulp van derden ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat de derde moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: de keuze van de jeugdhulpverlener, de kwaliteit en het behalen van het resultaat van de jeugdhulp, en de financiële verantwoording rondom het pgb. Deze derde zal moeten verklaren inhoudelijke verantwoordelijkheid te willen dragen voor het nakomen van de pgb-verplichtingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel