Naar hoofdinhoud
1.. De hoogte van het Persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen bedraagt in ieder geval niet meer dan het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende bijdrage in natura waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere noodzakelijke bijkomende kosten. 2.. De hoogte van het Persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen wordt mede gebaseerd op de betreffende afschrijvingsperiode zoals bedoeld in artikel 10.1 vijfde lid van de verordening. 3.. Het college stelt het Persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing vast op basis van een programma van eisen waarbij het uitgangspunt van de goedkoopst passende bijdrage geldt. Daarbij kan het college bijkomende noodzakelijke kosten in aanmerking nemen. 4.. Het college kan de hoogte van het Persoonsgebonden budget vaststellen op basis van een offerte indien de geïndiceerde maatwerkvoorziening waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten niet binnen het assortiment van gecontracteerde aanbieders vallen. 5.. Het college stelt in het Besluit nadere regels over de omvang van de budgetperiode van hulpmiddelen. 6.. Het College stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) aanbieders vast in het Besluit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel