Naar hoofdinhoud
1.. Voor de maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 7.1 onder a van de verordening geldt het principe van het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening. 2.. De cliënt komt niet in aanmerking voor begeleiding of dagbesteding indien tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen. 3.. De cliënt kan in aanmerking komen voor dagbesteding of begeleiding indien dat bijdraagt aan het behouden of mogelijk verbeteren van diens zelfredzaamheid en participatie. 4.. Onder de activiteiten van begeleiding of dagbesteding wordt in ieder geval verstaan ondersteuning bij: sociale redzaamheid; gedrag; psychisch functioneren; geheugen of oriëntatiestoornissen; de organisatie van het huishouden of ondersteuning bij een ontregeld huishouden; zelfzorg; participatie (dagbesteding). 5.. Het college draagt zo nodig zorg voor het noodzakelijke vervoer zodat de cliënt gebruik kan maken van de dagbesteding. 6.. Het vervoer als bedoeld in het vorige lid wordt in ieder geval noodzakelijk geacht indien: de cliënt niet zelf, zelfstandig lopend al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, in staat is de dagbesteding te bereiken of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen; de cliënt niet met beschikbare hulp van personen uit diens sociale netwerk of vrijwilligers kan reizen of op een andere manier door hen kan worden begeleid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel