Deze risicoanalyse gaat nadrukkelijk uit van de risico’s van asbest op de fysieke leefomgeving, passend bij het bevoegd gezag van gemeenten over omgevingsaspecten bij asbestsaneringen.
Twee variabelen zijn daarbij leidend.
De risicoklasse van de asbestsanering. Deze zijn wettelijk vastgelegd. Daarbij geldt dat asbest met een risicoklasse I is het grootste risico voor de omgeving vormt, omdat dergelijke saneringen plaats mogen vinden door niet-gecertificeerde aannemers met minder goed naleefgedrag. Asbestsaneringen van type II of IIa vinden altijd plaats door asbestdeskundige bedrijven, die werken volgens vastgestelde protocollen en certificatieschema’s. De risico’s op minder goed naleefgedrag zijn echter kleiner en daarmee de risico’s voor de omgeving beperkter.
De omvang van de sanering. Hoe kleiner de sanering, hoe minder potentieel impact op de omgeving 1 Overigens mogen saneringen kleiner dan 35 m2 (onder voorwaarden) ook door particulieren uitgevoerd worden. Het gaat hier echter om alléén om bedrijfsmatige asbestsaneringen. Toezicht op particuliere saneringen valt buiten het bereik van dit beleid..
Daarnaast kunnen er bijzondere omgevingsfactoren zijn die maken dat juist en vooral op de omgevingsaspecten meer regie nodig is. De criteria voor bijzondere omgevingsaspecten zijn:
Sanering in de omgeving van kwetsbare derden (kinderdagverblijven, speeltuinen)
Sanering nabij locatie waar eerder asbestincidenten plaatsvonden (meer communicatie nodig)
Complexe locaties qua logistiek en verkeersstromen (krap, druk verkeer)
Openbare, publiek toegankelijke gebouwen (bibliotheken, bioscopen, zwembaden, ziekenhuizen, enz.); gebouwen die gedeeltelijk open blijven tijdens de werkzaamheden
Monumenten (gebouw zelf, of monument ten opzichte van de omgeving)
Gebouwen binnen een beschermd stadsgezicht
Extra aandacht voor omgevingsaspecten heeft soms een directe relatie met het verwijderen van asbest, maar geregeld ook te maken met de sloop als geheel (bv bij een monument).
In die gevallen kunnen meldingen worden opgeschaald naar een normaal + melding. De RUD Utrecht
voert dan met de gemeente overleg over de omgevingsaspecten.
Is er sprake van een uitzonderlijke sanering, met zeer hoge risico’s voor de omgeving, dan is opschalen naar ‘maatwerk’ mogelijk en wordt onder leiding van de gemeente een maatwerkstrategie gemaakt. In de maatwerkstrategie staan taken en verantwoordelijkheden wat betreft het asbestsaneringsdeel vermeld.
Onderstaande tabel vat het samen. Typerende praktijkvoorbeelden van de categorieën zijn als bijlage bij het beleid opgenomen.
Risicoklasse asbest
Omvang
Behandelwijze
Typisch voorbeeld
Is er sprake van bijzondere omgevingsaspecten?
I
0-35 m2
Licht (Systeemtoezicht)
Plantenbak, CV ruimte, vensterbank mutatiewoning
Normaal +
I
35-100 m2
Normaal
Diverse losse platen, renovaties
Normaal +
I
> 100 m2
Normaal
Sloop, nieuwbouw
Normaal +
II
0-35 m2 (sanering binnen)
Licht
(Systeemtoezicht )
Plantenbak, CV ruimte, klein vloerzeil, mutatiewoningen
Normaal +
II
0-35 m2
(sanering buiten)
Normaal
Mutaties, renovaties
Normaal +
II
35-100 m2
Licht (Systeemtoezicht)
Diverse losse platen, renovaties
Normaal +
II
> 100 m2
Normaal
Grotere panden, agrarische stallen
Normaal +
IIa
0-35 m2
(sanering binnen)
Licht (Systeemtoezicht)
Plantenbak, CV ruimte, klein vloerzeil, mutatiewoningen
Normaal +
IIa
0-35 m2
(sanering buiten)
Normaal
Mutaties, renovaties
Normaal +
IIa
35-100 m2
Licht (Systeemtoezicht)
Diverse losse platen, renovaties
Normaal +
IIa
> 100 m2
Normaal
Grotere panden, agrarische stallen
Normaal +
De behandelwijze geeft ook de prioriteit aan. De categorie ‘normaal’ en ‘normaal+’ krijgen prioriteit boven lichte meldingen. Op die laatste categorie vindt systeemtoezicht plaats.
Gemeenten kunnen zelf aangeven bij de RUD Utrecht in hoeveel procent van de gevallen binnen de risicoklasse ‘Normaal’ toezicht plaatsvindt.
Artikel 6.