**1..** Het is verboden een recht op een gebouw als bedoeld in artikel 3.4.1, zonder vergunning van burgemeester en wethouders te splitsen in appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, eerste en vierde lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, indien een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte.
**2..** Onder woonruimte genoemd in het eerste lid wordt verstaan alle woonruimte als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdelen a tot en met c.
**3..** Op het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten of het aangaan van een verbintenis daartoe door een rechtspersoon is deze afdeling van overeenkomstige toepassing.
**4..** Uitzonderingen op het eerste lid zijn:
gebouwen, die naar het oordeel van burgemeester en wethouders door ingrijpende renovatie afdoende voldoen aan de eisen voor nieuwbouw;
gebouwen in eigendom van een coöperatieve flatexploitatievereniging en waarvan het eigendom wordt gesplitst in een zelfde aantal appartementsrechten als het aantal lidmaatschapsrechten in de coöperatieve flatexploitatievereniging;
afsplitsing van niet-woonruimten indien alle woonruimten samen in één appartementsrecht worden ondergebracht;
gebouwen waar gesplitst wordt met behoud van hetzelfde aantal appartementsrechten op woonruimten; en,
gebouwen waarvoor eerder een splitsingsvergunning is afgegeven onder de voorwaarde dat het aantal individueel overdraagbare vergunningen gelijk blijft.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 4
Artikel 3.4.2