Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6: › Paragraaf 6.3:

Artikel 6:7:

Verrekening en beslaglegging

Onderdeel van Verzamelbesluit beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ Gemeente Oisterwijk 2020

1. Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en/of het besluit tot boeteoplegging. 2. Als belanghebbende een lopende uitkering voor levensonderhoud heeft op grond van de PW, IOAW of IOAZ, dan vordert het college de openstaande vordering of een opgelegde bestuurlijke boete in, door middel van verrekening met de uitkering, zoals bedoeld in artikel 60, derde en vierde lid, PW, dan wel artikel 20, tweede lid, IOAW of IOAZ, tenzij de belanghebbende - binnen een termijn van zes weken - een minnelijke betalingsregeling overeen wil komen. 3. Als belanghebbende geen lopende uitkering voor levensonderhoud heeft op grond van de PW, IOAW of IOAZ, dan stelt het college hem in de gelegenheid om binnen zes weken een minnelijke betalingsregeling overeen te komen. 4. Als de belanghebbende in de situatie als bedoeld in het tweede lid, niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet (meer) nakomt, legt het college het terugvorderingsbesluit, dan wel het boetebesluit ten uitvoer door middel van: a. verrekening met de maandelijks verleende uitkering, op grond van artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid; b. een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, met uitzondering van artikel 479e, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering; of c. beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. 5. Eventuele kosten die verbonden zijn aan de invordering, komen ten laste van de debiteur.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel