1. Een lid van de commissie wordt door de raad ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. bij aanvaarding van een functie die naar het oordeel van de raad onverenigbaar is met het lidmaatschap van de commissie;
c. wanneer het lid bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
d. indien het lid bij onherroepelijk geworden rechtelijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
e. indien hij naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
2. Een lid van de commissie kan door de raad worden ontslagen:
a. indien het lid door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie als lid van de commissie te vervullen;
b. indien hij handelt in strijd met artikel 81h van de Gemeentewet.